Strafwetboek 2026

Van het Strafwetboek van 1867 naar dat van 2026: de regels naast elkaar

Voor feiten van vóór 1 september 2026 blijft het oude wetboek meetellen: de rechter past de voor de dader gunstigste bepalingen toe (art. 2 van boek I). Deze pagina zet de letterlijke teksten naast elkaar: de overgangs- en inwerkingtredingsbepalingen van de invoeringswetten, en de algemene regels van boek I tegenover die van 1867. Bij elk artikel van het nieuwe wetboek met een gekoppeld oud artikel staat bovendien een overgangsblad.

De rechter beslist welke wet voor de dader het gunstigst is. Deze pagina toont alleen de teksten en spreekt daar geen oordeel over uit.

De regel: de gunstigste strafwet

Art. 2. Toepassing van de strafwet in de tijd

Niemand kan worden bestraft voor een handelen of nalaten dat niet bij wet strafbaar was ten tijde van dat handelen of nalaten.

Evenmin kan een zwaardere hoofd- of bijkomende straf worden opgelegd dan die waarin ten tijde van het plegen van het misdrijf bij wet was voorzien.

In geval van wijziging van de strafwet na het plegen van het misdrijf gelden de voor de dader meest gunstige bepalingen.

Oud art. 2

HOOFDSTUK I. MISDRIJVEN.

Geen misdrijf kan worden gestraft met straffen die bij de wet niet waren gesteld voordat het misdrijf werd gepleegd.

Indien de straf, ten tijde van het vonnis bepaald, verschilt van die welke ten tijde van het misdrijf was bepaald, wordt de minst zware straf toegepast.

Dit artikel op Justel ↗

Overgangs- en inwerkingtredingsbepalingen van de invoeringswetten

Wet van 29 februari 2024 tot invoering van boek I van het Strafwetboek (HOOFDSTUK 5. Overgangsbepalingen en inwerkingtredingsbepalingen)

Wet van 29 februari 2024 tot invoering van boek I van het Strafwetboek, art. 36

Tot de inwerkingtreding van artikel 46 van het Strafwetboek moeten de verwijzingen naar "de verlengde opvolging" in het Strafwetboek worden gelezen als verwijzingen naar "de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank", zoals geregeld door artikel 37 van deze wet.

officiële tekst op Justel ↗

Wet van 29 februari 2024 tot invoering van boek I van het Strafwetboek, art. 37

§ 1. De terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank is een bijkomende straf die in de in paragraaf 2 bepaalde gevallen kan of moet worden uitgesproken, met het oog op de bescherming van de maatschappij.

De terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank maakt het voor de strafuitvoeringsrechtbank mogelijk om de veroordeelde verder van zijn vrijheid te beroven na de uitvoering van de gevangenisstraf of de behandeling onder vrijheidsberoving of om hem verder te onderwerpen aan strafuitvoeringsmodaliteiten.

§ 2. Indien de rechter een gevangenisstraf of behandeling onder vrijheidsberoving oplegt van niveau 3 of van een hoger niveau wegens een misdrijf dat een ernstige inbreuk heeft uitgemaakt op het leven, de fysieke, seksuele of psychische integriteit van het slachtoffer of een ernstig gevaar uitmaakte voor de openbare veiligheid kan hij een ter beschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank opleggen als bijkomende straf.

Deze straf moet worden opgelegd indien de rechter de beklaagde of de beschuldigde veroordeelt tot een straf van niveau 7 of 8 en de beklaagde of de beschuldigde reeds eerder werd veroordeeld voor een misdrijf waarop de wet een straf van niveau 7 of 8 stelt.

Deze straf moet eveneens worden opgelegd indien de rechter de beklaagde of beschuldigde veroordeelt tot een straf van niveau 4 of van een hoger niveau en de veroordeling, al dan niet in samenloop met andere misdrijven, is gebaseerd op een van de volgende misdrijven:

a) foltering met de dood tot gevolg, bedoeld in artikel 118 van het Strafwetboek;

b) verkrachting van een minderjarige in de zin van de artikelen 143, vijfde streepje, 144, vijfde streepje, en 145, vijfde streepje, van het Strafwetboek;

c) niet-consensuele seksuele handelingen met de dood tot gevolg in de zin van artikel 139 van het Strafwetboek;

d) ontvoering met de dood tot gevolg, bedoeld in artikel 225 van het Strafwetboek;

e) een terroristisch misdrijf in de zin van artikel 371 van het Strafwetboek, wanneer dit misdrijf de dood van een of meer personen heeft veroorzaakt.

§ 3. De duur van de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank is ten hoogste vijf jaar indien een straf wordt opgelegd van niveau 3, ten hoogste tien jaar indien een straf wordt opgelegd van niveau 4 en ten hoogste vijftien jaar indien een straf wordt opgelegd van niveau 5, 6, 7 of 8. Indien de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank verplicht wordt opgelegd overeenkomstig paragraaf 2, tweede of derde lid, bedraagt de minimale duur van de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank vijf jaar.

De terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank gaat in na afloop van de vrijheidsberovende straf.

§ 4. De strafdossiers met betrekking tot de eerdere veroordelingen die als grondslag worden ingeroepen voor de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank worden aan het dossier gevoegd. Indien het gaat om een veroordeling bedoeld in artikel 76 van het Strafwetboek wordt een voor eensluidend verklaard afschrift van de betrokken beslissing aan het dossier gevoegd.

officiële tekst op Justel ↗

Wet van 29 februari 2024 tot invoering van boek I van het Strafwetboek, art. 37/1

De verjaring van de bijzondere verbeurdverklaringen, die in kracht van gewijsde zijn getreden voor de inwerkingtreding van deze wet en niet zijn verjaard voor die datum, blijft onderworpen aan de bepalingen van het Strafwetboek van 6 juni 1867, die van kracht waren voor de inwerkingtreding van deze wet.

Wijzigingen volgens Justel: (1) <Ingevoegd bij W 2026-03-30/02, art. 106, 005; Inwerkingtreding : 01-09-2026>

officiële tekst op Justel ↗

Wet van 29 februari 2024 tot invoering van boek I van het Strafwetboek, art. 38

Deze wet treedt in werking op 1 september 2026, met uitzondering van de artikelen 42 en 46 van het Strafwetboek ... die in werking treden op 1 januari 2035 en met uitzondering van artikelen 47, zesde lid, 48, vierde lid, 49, zesde lid, en 57, derde lid, van het Strafwetboek, die in werking treden op een door de Koning te bepalen datum en uiterlijk op 30 juni 2029.

De Koning kan voor de artikelen 42 en 46 van het Strafwetboek en artikel 25 van deze wet een datum van inwerkingtreding bepalen voorafgaand aan de datum vermeld in het eerste lid.

Wijzigingen volgens Justel: (1) <W 2026-03-30/01, art. 252, 002; Inwerkingtreding : 03-04-2026> (2) <W 2026-03-16/08, art. 25, 003; Inwerkingtreding : 01-09-2026> (3) <W 2026-03-30/02, art. 107, 005; Inwerkingtreding : 01-09-2026>

officiële tekst op Justel ↗

Wet van 29 februari 2024 tot invoering van boek II van het Strafwetboek (HOOFDSTUK 5. Inwerkingtredingsbepaling)

Wet van 29 februari 2024 tot invoering van boek II van het Strafwetboek, art. 119

Deze wet treedt in werking op 1 september 2026.

Wijzigingen volgens Justel: (1) <W 2026-03-30/01, art. 253, 004; Inwerkingtreding : 03-04-2026>

officiële tekst op Justel ↗

Wet van 29 februari 2024 tot invoering van een beveiligingsmaatregel ter bescherming van de maatschappij (HOOFDSTUK 4. Overgangsbepaling)

Wet van 29 februari 2024 tot invoering van een beveiligingsmaatregel ter bescherming van de maatschappij, art. 40

Na de inwerkingtreding van de wet van 29 februari 2024 tot invoering van boek I van het Strafwetboek en tot de inwerkingtreding van de verlengde opvolging moeten de verwijzingen in deze wet naar "de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank" worden gelezen als "de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank zoals geregeld door artikel 37 van de wet van 29 februari 2024 tot invoering van boek I van het Strafwetboek".

officiële tekst op Justel ↗

De algemene regels van boek I naast die van 1867

Per onderwerp eerst de nieuwe artikelen, daaronder de oude. De keuze van de paren is die van deze site; wat een artikel precies betekent voor een concrete zaak, staat er niet bij.

De straffen: doel, hoofdstraffen en bijkomende straffen

Nieuw Strafwetboek (sinds 1 september 2026)

Art. 27. Doelstellingen van de straf

Bij de keuze van de straf en het bepalen van de strafmaat, streeft de rechter de volgende doelen na:

1° het uiting geven aan de maatschappelijke afkeuring ten aanzien van de overtreding van de strafwet;

2° het bevorderen van het herstel van het maatschappelijk evenwicht en van het herstel van de door het misdrijf veroorzaakte schade;

3° het bevorderen van de maatschappelijke rehabilitatie en re-integratie van de dader;

4° het beschermen van de maatschappij.

Binnen de grenzen van de wet moet de rechter naar een rechtvaardige proportionaliteit tussen het misdrijf en de straf zoeken.

Alvorens een straf uit te spreken, moet de rechter deze doelstellingen in overweging nemen, maar ook de ongewenste neveneffecten van de straf ten aanzien van de rechtstreeks betrokken personen, hun omgeving en de samenleving.

De gevangenisstraf is de laatst te overwegen straf, die slechts kan worden uitgesproken wanneer de strafdoelen niet kunnen worden bereikt met een van de andere straffen of maatregelen waarin de wet voorziet.

Indien de rechter een straf van niveau 2 gepast acht ter bestraffing van het misdrijf en binnen dit strafniveau kiest voor de gevangenisstraf, motiveert hij waarom de doelstellingen van de straf niet door een van de andere straffen van niveau 2 kunnen worden bereikt.

Art. 36. Hoofdstraffen

De straf van niveau 8 bestaat uit levenslange gevangenisstraf of een behandeling onder vrijheidsberoving van meer dan achttien jaar tot ten hoogste twintig jaar. Bij aanneming van verzachtende omstandigheden wordt die straf vervangen door een van de straffen van niveau 7, 6, 5, 4 of 3.

De straf van niveau 7 bestaat uit een gevangenisstraf van meer dan twintig jaar tot ten hoogste dertig jaar of een behandeling onder vrijheidsberoving van meer dan zestien jaar tot ten hoogste achttien jaar. Bij aanneming van verzachtende omstandigheden wordt die straf vervangen door een van de straffen van niveau 6, 5, 4 of 3.

De straf van niveau 6 bestaat uit een gevangenisstraf van meer dan vijftien jaar tot ten hoogste twintig jaar of een behandeling onder vrijheidsberoving van meer dan elf jaar tot ten hoogste zestien jaar. Bij aanneming van verzachtende omstandigheden wordt die straf vervangen door een van de straffen van niveau 5, 4, 3 of 2.

De straf van niveau 5 bestaat uit een gevangenisstraf van meer dan tien jaar tot ten hoogste vijftien jaar of een behandeling onder vrijheidsberoving van meer dan zes jaar tot ten hoogste elf jaar. Bij aanneming van verzachtende omstandigheden wordt die straf vervangen door een van de straffen van niveau 4, 3 of 2.

De straf van niveau 4 bestaat uit een gevangenisstraf van meer dan vijf jaar tot ten hoogste tien jaar of een behandeling onder vrijheidsberoving van meer dan vier jaar tot ten hoogste zes jaar. Bij aanneming van verzachtende omstandigheden wordt die straf vervangen door een van de straffen van niveau 3 of 2.

De straf van niveau 3 bestaat uit een gevangenisstraf van meer dan drie jaar tot ten hoogste vijf jaar of een behandeling onder vrijheidsberoving van meer dan twee jaar tot ten hoogste vier jaar. Bij aanneming van verzachtende omstandigheden wordt die straf vervangen door een van de straffen van niveau 2 of 1.

De straf van niveau 2 bestaat uit een van de volgende straffen:

1° de gevangenisstraf van zes maanden tot ten hoogste drie jaar;

2° de behandeling onder vrijheidsberoving van zes maanden tot ten hoogste twee jaar;

3° de straf onder elektronisch toezicht van een maand tot ten hoogste een jaar;

4° de werkstraf van meer dan honderdtwintig uur tot ten hoogste driehonderd uur;

5° de probatiestraf van meer dan twaalf maanden tot ten hoogste twee jaar;

6° de veroordeling bij schuldigverklaring.

Bij aanneming van verzachtende omstandigheden wordt de straf van niveau 2 vervangen door een van de straffen van niveau 1.

De straf van niveau 1 bestaat uit een van de volgende straffen:

1° de geldboete van 200 euro tot ten hoogste 20.000 euro;

2° de werkstraf van twintig uur tot ten hoogste honderdtwintig uur;

3° de probatiestraf van zes maanden tot ten hoogste twaalf maanden;

4° de verbeurdverklaring, met inbegrip van de verruimde verbeurdverklaring;

5° de geldstraf vastgesteld op basis van het verwachte of uit het misdrijf behaalde voordeel;

6° de veroordeling bij schuldigverklaring.

Wanneer de wet voorziet in een bijkomende straf voor een misdrijf dat wordt bestraft met een hoofdstraf van niveau 1, kan de rechter bij aanneming van verzachtende omstandigheden die bijkomende straf uitspreken in plaats van de hoofdstraf.

Art. 37. Bijkomende straffen

In de door de wet bepaalde gevallen en zonder afbreuk te doen aan de in de bijzondere wetten bepaalde straffen, zijn de op de misdrijven toepasselijke bijkomende straffen:

1° de verlengde opvolging;

2° de geldboete;

3° de verbeurdverklaring;

4° de verruimde verbeurdverklaring;

5° de geldstraf vastgesteld op basis van het verwachte of uit het misdrijf behaalde voordeel;

6° de ontzetting uit bepaalde burgerlijke en politieke rechten;

7° het beroepsverbod;

8° de bekendmaking van de beslissing houdende veroordeling;

9° de sluiting van de inrichting;

10° het verval van het recht tot sturen;

11° het verblijfs-, plaats- of contactverbod.

Art. 38. Hoofdstraffen

De straf van niveau 8 bestaat uit een geldboete van meer dan 4.000.000 euro tot ten hoogste 5.760.000 euro. Bij aanneming van verzachtende omstandigheden wordt die straf vervangen door een van de straffen van niveau 7, 6, 5, 4 of 3.

De straf van niveau 7 bestaat uit een geldboete van meer dan 1.600.000 euro tot ten hoogste 4.000.000 euro. Bij aanneming van verzachtende omstandigheden wordt die straf vervangen door een van de straffen van niveau 6, 5, 4 of 3.

De straf van niveau 6 bestaat uit een geldboete van meer dan 1.200.000 euro tot ten hoogste 1.600.000 euro. Bij aanneming van verzachtende omstandigheden wordt die straf vervangen door een van de straffen van niveau 5, 4, 3 of 2.

De straf van niveau 5 bestaat uit een geldboete van meer dan 800.000 euro tot ten hoogste 1.200.000 euro. Bij aanneming van verzachtende omstandigheden wordt die straf vervangen door een van de straffen van niveau 4, 3 of 2.

De straf van niveau 4 bestaat uit een geldboete van meer dan 600.000 euro tot ten hoogste 800.000 euro. Bij aanneming van verzachtende omstandigheden wordt die straf vervangen door een van de straffen van niveau 3 of 2.

De straf van niveau 3 bestaat uit een geldboete van meer dan 360.000 euro tot ten hoogste 600.000 euro. Bij aanneming van verzachtende omstandigheden wordt die straf vervangen door een van de straffen van niveau 2 of 1.

De straf van niveau 2 bestaat uit een van de volgende straffen:

1° de geldboete van meer dan 20.000 euro tot ten hoogste 360.000 euro;

2° de dienstverleningsstraf ten gunste van de gemeenschap, geraamd op een bedrag van meer dan 20.000 euro tot ten hoogste 360.000 euro;

3° de probatiestraf van meer dan twaalf maanden tot ten hoogste twee jaar;

4° de cumulatie van twee straffen van niveau 1;

5° de veroordeling bij schuldigverklaring.

Bij aanneming van verzachtende omstandigheden wordt de straf van niveau 2 vervangen door een van de straffen van niveau 1.

De straf van niveau 1 bestaat uit een van de volgende straffen:

1° de geldboete van 200 euro tot ten hoogste 20.000 euro;

2° de dienstverleningsstraf ten gunste van de gemeenschap, geraamd op een bedrag van 200 euro tot ten hoogste 20.000 euro;

3° de probatiestraf van zes maanden tot ten hoogste twaalf maanden;

4° het verbod om een activiteit die deel uitmaakt van het voorwerp uit te oefenen voor een periode van een jaar tot ten hoogste tien jaar;

5° de verbeurdverklaring, met inbegrip van de verruimde verbeurdverklaring;

6° de geldstraf vastgesteld op basis van het verwachte of uit het misdrijf behaalde voordeel;

7° de sluiting van de inrichting;

8° de veroordeling bij schuldigverklaring.

Wanneer de wet voorziet in een bijkomende straf voor een misdrijf dat wordt bestraft met een hoofdstraf van niveau 1, kan de rechter bij aanneming van verzachtende omstandigheden die bijkomende straf uitspreken in plaats van de hoofdstraf.

Art. 39. Bijkomende straffen

In de door de wet bepaalde gevallen en zonder afbreuk te doen aan de in de bijzondere wetten bepaalde straffen, zijn de op de misdrijven toepasselijke bijkomende straffen:

1° de geldboete;

2° de verbeurdverklaring;

3° de verruimde verbeurdverklaring;

4° de geldstraf vastgesteld op basis van het verwachte of uit het misdrijf behaalde voordeel;

5° het verbod om een activiteit die deel uitmaakt van het voorwerp uit te oefenen voor een periode van een jaar tot ten hoogste tien jaar;

6° de sluiting van de inrichting;

7° de bekendmaking van de beslissing houdende veroordeling.

Art. 40. De op bepaalde publiekrechtelijke rechtspersonen toepasselijke straf

Ten aanzien van de Federale Staat, de gewesten, de gemeenschappen, de provincies, de hulpverleningszones, de prezones, de Brusselse agglomeratie, de gemeenten, de meergemeentezones, de binnengemeentelijke territoriale organen, de Franse Gemeenschapscommissie, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn kan enkel, met uitsluiting van elke andere straf, de veroordeling bij schuldigverklaring worden uitgesproken.

Strafwetboek van 1867

Oud art. 7

HOOFDSTUK II. STRAFFEN. · AFDELING I. VERSCHILLENDE SOORTEN VAN STRAFFEN.

§ 1. De straffen op de misdrijven (gepleegd door natuurlijke personen) toepasselijk, zijn :

In criminele zaken :

(1° Opsluiting;

2° Hechtenis.)

In correctionele zaken en in politiezaken :

1° gevangenisstraf;

2° straf onder elektronisch toezicht;

3° werkstraf;

4° autonome probatiestraf.

De in het 1° tot 4° bepaalde straffen mogen niet samen worden toegepast.

In criminele zaken en in correctionele zaken :

1° Ontzetting van bepaalde politieke en burgerlijke rechten;

2° Terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank;

In criminele zaken, in correctionele zaken en in politiezaken :

1° Geldboete;

2° Bijzondere verbeurdverklaring.

§ 2. Bij de keuze van de straf en het bepalen van de strafmaat, streeft de rechter de volgende doelen na:

1° het uiting geven aan de maatschappelijke afkeuring ten aanzien van de overtreding van de strafwet;

2° het bevorderen van het herstel van het maatschappelijk evenwicht en van het herstel van de door het misdrijf veroorzaakte schade;

3° het bevorderen van de maatschappelijke rehabilitatie en re-integratie van de dader;

4° het beschermen van de maatschappij.

Binnen de grenzen van de wet moet de rechter naar een rechtvaardige proportionaliteit tussen het misdrijf en de straf zoeken.

Alvorens een straf uit te spreken, moet de rechter deze doelstellingen in overweging nemen, maar ook de ongewenste neveneffecten van de straf ten aanzien van de rechtstreeks betrokken personen, hun omgeving en de samenleving.

§ 3. Voor feiten strafbaar met een maximale gevangenisstraf van zes maanden en indien de rechter overweegt om een effectieve gevangenisstraf op te leggen, legt hij een straf onder elektronisch toezicht, een werkstraf of een autonome probatiestraf op, indien voldaan is aan de voorwaarden bepaald door de artikelen 37ter, 37quinquies en 37octies.

Voor feiten strafbaar met een gevangenisstraf van meer dan zes maanden tot drie jaar en indien de rechter een effectieve gevangenisstraf oplegt, omkleedt hij met redenen waarom de bestraffing niet door een straf onder elektronisch toezicht, een werkstraf of een autonome probatiestraf kan worden bereikt indien voldaan is aan de voorwaarden bepaald door de artikelen 37ter, 37quinquies en 37octies.

Wijzigingen volgens Justel: (1) <W 2007-04-26/89, art. 2, 069; Inwerkingtreding : 01-01-2012> (2) <W 2014-04-10/80, art. 2, 111; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 01-05-2016 (zie W 2014-05-08/55, art. 6, gewijzigd zichzelf bij W 2015-11-23/02, art. 13) gewijzigd in dezelfde zin bij W 2016-02-05/11, art. 48, 114; Inwerkingtreding : 29-02-2016> (3) <W 2025-07-18/16, art. 2, 163; Inwerkingtreding : 04-08-2025> <W 1999-05-04/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 02-07-1999> <W 1996-07-10/42, art. 4, 018; Inwerkingtreding : 11-08-1996> <W 2014-04-10/80, art. 2, 111; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 01-05-2016 (zie W 2014-05-08/55, art. 6, gewijzigd zichzelf bij W 2015-11-23/02, art. 13) gewijzigd in dezelfde zin bij W 2016-02-05/11, art. 48, 114; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

Dit artikel op Justel ↗

Oud art. 7bis

HOOFDSTUK II. STRAFFEN. · AFDELING I. VERSCHILLENDE SOORTEN VAN STRAFFEN.

De straffen toepasselijk op misdrijven gepleegd door rechtspersonen, met uitsluiting van publiekrechtelijke rechtspersonen bedoeld in het derde lid, zijn:

in criminele zaken, in correctionele zaken en in politiezaken :

1° geldboete;

2° bijzondere verbeurdverklaring; de bijzondere verbeurdverklaring, bepaald in artikel 42, 1°, uitgesproken ten aanzien van publiekrechtelijke rechtspersonen kan enkel betrekking hebben op goederen die vatbaar zijn voor burgerlijk beslag;

in criminele en correctionele zaken :

1° ontbinding; deze kan niet worden uitgesproken ten aanzien van de publiekrechtelijke rechtspersoon;

2° verbod een werkzaamheid die deel uitmaakt van het maatschappelijk doel te verrichten, met uitzondering van werkzaamheden die behoren tot een opdracht van openbare dienstverlening;

3° sluiting van een of meer inrichtingen, met uitzondering van de inrichtingen waar werkzaamheden worden verricht die behoren tot een opdracht van openbare dienstverlening;

4° bekendmaking of verspreiding van de beslissing.

Ten aanzien van de Federale Staat, de gewesten, de gemeenschappen, de provincies, de hulpverleningszones, de prezones, de Brusselse agglomeratie, de gemeenten, de meergemeentezones, de binnengemeentelijke territoriale organen, de Franse Gemeenschapscommissie, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn kan enkel, met uitsluiting van elke andere straf, de eenvoudige schuldigverklaring worden uitgesproken.

Wijzigingen volgens Justel: (1) <W 2018-07-11/10, art. 3, 132; Inwerkingtreding : 30-07-2018> <Ingevoegd bij W 1999-05-04/60, art. 4; Inwerkingtreding : 02-07-1999>

Dit artikel op Justel ↗

Poging

Nieuw Strafwetboek (sinds 1 september 2026)

Art. 9. Strafbare poging

§ 1. De poging tot misdrijf is strafbaar wanneer het crimineel voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard.

Wie terugtreedt wegens omstandigheden afhankelijk van zijn wil, is niet strafbaar. De vrijwillige terugtred werkt enkel door naar de deelnemer indien wat hem betreft aan de toepassingsvoorwaarden is voldaan.

De poging is altijd strafbaar voor de opzettelijke misdrijven.

De strafbare poging wordt bestraft met een straf van het onmiddellijk lagere strafniveau dan datgene gesteld op het voltooide misdrijf.

De strafbare poging van een misdrijf waarop in de wet op het voltooide misdrijf een straf van niveau 1 is gesteld, wordt bestraft met dezelfde straf of, wanneer de wet voorziet in een bijkomende straf en de rechter oordeelt dat dit een gepaste straf is, met een bijkomende straf die wordt uitgesproken in plaats van de hoofdstraf.

§ 2. Wordt bestraft met een straf die twee niveaus lager is dan het niveau gesteld op het voltooid misdrijf, de persoon die op vasthoudende en zekere wijze voorstelt, aanbiedt of aanzet een misdrijf te plegen waarop in de wet een straf van niveau 5 of hoger is gesteld en hij die een dergelijk voorstel, aanbod of aanzetting heeft aanvaard, terwijl dit geen uitwerking heeft gehad wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil.

Strafwetboek van 1867

Oud art. 51

HOOFDSTUK IV. POGING TOT MISDAAD OF TOT WANBEDRIJF.

Strafbare poging bestaat, wanneer het voornemen om een misdaad of een wanbedrijf te plegen zich heeft geopenbaard door uitwendige daden die een begin van uitvoering van die misdaad of van dat wanbedrijf uitmaken en alleen ten gevolge van omstandigheden, van de wil van de dader onafhankelijk, zijn gestaakt of hun uitwerking hebben gemist.

Dit artikel op Justel ↗

Oud art. 52

HOOFDSTUK IV. POGING TOT MISDAAD OF TOT WANBEDRIJF.

Poging tot misdaad wordt gestraft met de straf die, overeenkomstig de artikelen 80 en 81, onmiddellijk lager is dan die gesteld op de misdaad zelf.

De pogingen tot misdaden die strafbaar zijn met levenslange opsluiting of levenslange hechtenis worden echter respectievelijk gestraft met twintig jaar tot dertig jaar opsluiting of met twintig jaar tot dertig jaar hechtenis.

Wijzigingen volgens Justel: (1) <W 2016-02-05/11, art. 13, 114; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

Dit artikel op Justel ↗

Oud art. 53

HOOFDSTUK IV. POGING TOT MISDAAD OF TOT WANBEDRIJF.

De wet bepaalt in welke gevallen en met welke straffen poging tot wanbedrijf wordt gestraft.

Dit artikel op Justel ↗

Daderschap en deelneming

Nieuw Strafwetboek (sinds 1 september 2026)

Art. 17. Definitie van daderschap

Dader is de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die alle bestanddelen van het misdrijf in zich verenigt of die voldoet aan de in artikel 9 bepaalde voorwaarden:

1° hetzij in persoon;

2° hetzij door zich te bedienen van een ander persoon als louter instrument;

3° hetzij door opzettelijk met anderen samen te werken.

Art. 18. Verantwoordelijkheid van rechtspersonen

Een rechtspersoon is strafrechtelijk verantwoordelijk voor de misdrijven die hetzij een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van zijn voorwerp of de waarneming van zijn belangen, of die, zoals blijkt uit de concrete omstandigheden, voor zijn rekening zijn gepleegd.

Met rechtspersonen worden gelijkgesteld:

1° maatschappen;

2° vennootschappen in oprichting.

De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersonen sluit die van de natuurlijke personen die daders zijn van dezelfde feiten of eraan hebben deelgenomen, niet uit.

Art. 19. Strafbare deelneming

Diegenen die wetens en willens op betekenisvolle wijze bijdragen tot een misdrijf, op de wijze en binnen de perken als hierna aangegeven, worden als deelnemers beschouwd en kunnen als daders worden gestraft:

1° zij die rechtstreeks aan de uitvoering deelnemen;

2° zij die de voorbereiding of de uitvoering van het misdrijf vergemakkelijken;

3° zij die rechtstreeks aanzetten tot het plegen van het misdrijf;

4° zij die nalaten om te handelen en hierdoor het plegen van het misdrijf rechtstreeks hebben bevorderd of vergemakkelijkt;

5° zij die hulp of bijstand verlenen aan de dader na het misdrijf indien hierover vooraf overleg is gepleegd.

In dit wetboek wordt onder het begrip "dader" ook de deelnemer aan het misdrijf begrepen.

Art. 20. Doorwerking van de verzwarende bestanddelen en de verzwarende factoren

De dader in de zin van artikel 17, 3°, of de deelnemer die kennis had of kennis had moeten hebben van het bestaan van een objectief verzwarend bestanddeel of een objectieve verzwarende factor bij het misdrijf of die wist of had moeten weten dat de verwezenlijking van dat bestanddeel of die factor in de lijn lag van het normale of voorzienbare verloop van de gebeurtenissen en die, met kennis van zaken, heeft volhard in zijn wil om mee te werken aan het plegen van dat misdrijf, wordt gestraft als dader of deelnemer van het verzwaarde misdrijf.

Subjectieve verzwarende bestanddelen en subjectieve verzwarende factoren hebben enkel gevolgen voor de straf van de dader of deelnemer aan het misdrijf indien wat hem betreft aan de toepassingsvoorwaarden ervan is voldaan.

Strafwetboek van 1867

Oud art. 5

HOOFDSTUK I. MISDRIJVEN.

Een rechtspersoon is strafrechtelijk verantwoordelijk voor de misdrijven die hetzij een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van zijn doel of de waarneming van zijn belangen, of die, zoals blijkt uit de concrete omstandigheden, voor zijn rekening zijn gepleegd.

Met rechtspersonen worden gelijkgesteld:

1° maatschappen;

2° vennootschappen in oprichting.

De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersonen sluit die van de natuurlijke personen, die daders zijn van dezelfde feiten of eraan hebben deelgenomen, niet uit.

Wijzigingen volgens Justel: (1) <W 2018-07-11/10, art. 2, 132; Inwerkingtreding : 30-07-2018> (2) <W 2021-11-28/01, art. 14, 146; Inwerkingtreding : 10-12-2021>

Dit artikel op Justel ↗

Oud art. 66

HOOFDSTUK VII. DEELNEMING VAN VERSCHEIDENE PERSONEN AAN EENZELFDE MISDAAD OF WANBEDRIJF.

Als daders van een misdaad of een wanbedrijf worden gestraft :

Zij die de misdaad of het wanbedrijf hebben uitgevoerd of aan de uitvoering rechtstreeks hebben meegewerkt;

Zij die door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp hebben verleend dat de misdaad of het wanbedrijf zonder hun bijstand niet had kunnen worden gepleegd;

Zij die, door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden, de misdaad of het wanbedrijf rechtstreeks hebben uitgelokt;

(Zij die, het zij door woorden in openbare bijeenkomsten of plaatsen gesproken, hetzij door enigerlei geschrift, drukwerk, prent of zinnebeeld, aangeplakt, rondgedeeld of verkocht, te koop geboden of openlijk tentoongesteld, het plegen van het feit rechtstreeks hebben uitgelokt, onverminderd de straffen die bij de wet bepaald zijn tegen daders van aanzetting tot misdaden of wanbedrijven, zelfs voor het geval dat die aanzetting zonder gevolg is gebleven.)

Wijzigingen volgens Justel: <W 28-07-1934, art. 1, I>

Dit artikel op Justel ↗

Oud art. 67

HOOFDSTUK VII. DEELNEMING VAN VERSCHEIDENE PERSONEN AAN EENZELFDE MISDAAD OF WANBEDRIJF.

Als medeplichtigen aan een misdaad of een wanbedrijf worden gestraft :

Zij die onderrichtingen hebben gegeven om de misdaad of het wanbedrijf te plegen;

Zij die wapens, werktuigen of enig ander middel hebben verschaft, die tot de misdaad of het wanbedrijf hebben gediend, wetende dat ze daartoe zouden dienen;

Zij die, buiten het geval van artikel 66, § 3, met hun weten de dader of de daders hebben geholpen of bijgestaan in daden die de misdaad of het wanbedrijf hebben voorbereid, vergemakkelijkt of voltooid.

Dit artikel op Justel ↗

Oud art. 68

HOOFDSTUK VII. DEELNEMING VAN VERSCHEIDENE PERSONEN AAN EENZELFDE MISDAAD OF WANBEDRIJF.

Zij die, bekend met het misdadig gedrag van boosdoeners die roverijen plegen of gewelddaden tegen de veiligheid van de Staat, tegen de openbare rust, tegen personen of eigendommen, er een gewoonte van maken hun een onderdak, een schuilplaats of een vergaderplaats te verschaffen, worden als hun medeplichtigen gestraft.

Dit artikel op Justel ↗

Oud art. 69

HOOFDSTUK VII. DEELNEMING VAN VERSCHEIDENE PERSONEN AAN EENZELFDE MISDAAD OF WANBEDRIJF.

Medeplichtigen aan een misdaad worden gestraft met de straf die, overeenkomstig de artikelen 80 en 81 van dit wetboek, onmiddellijk lager is dan die waarmee zij als daders van die misdaad zouden worden gestraft. Zij worden echter gestraft met twintig jaar tot dertig jaar opsluiting of twintig jaar tot dertig jaar hechtenis indien zij medeplichtig waren aan een misdaad die strafbaar is met levenslange opsluiting of met levenslange hechtenis.

De straf tegen medeplichtigen aan een wanbedrijf zal niet hoger zijn dan twee derden van die welke op hen zou worden toegepast, indien zij de daders van dat wanbedrijf waren.

Wijzigingen volgens Justel: (1) <W 2016-02-05/11, art. 16, 114; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

Dit artikel op Justel ↗

Herhaling

Nieuw Strafwetboek (sinds 1 september 2026)

Art. 60. Herhaling

Indien de dader wordt vervolgd voor een misdrijf waarop door de wet een straf van niveau 1, 2, 3, 4, 5 of 6 is gesteld, kan deze straf worden verhoogd naar een straf van het onmiddellijk hogere niveau indien op het ogenblik van het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren verlopen waren te rekenen vanaf de dag waarop een vorige veroordeling in kracht van gewijsde is getreden. De termijn van vijf jaar wordt evenwel verlengd met de tijd waarin de gevangenisstraf of behandeling onder vrijheidsberoving wordt uitgevoerd, met uitzondering van de periode gedurende dewelke de straf wordt uitgevoerd onder de modaliteit van het elektronisch toezicht en de periodes van voorwaardelijke invrijheidsstelling, voorlopige invrijheidsstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering en de invrijheidsstelling onder toezicht.

Indien de dader wordt vervolgd voor een misdrijf waarop door de wet een straf van niveau 7 is gesteld en de dader reeds eerder werd veroordeeld tot een straf van niveau 7 of 8, wordt de minimumstraf gebracht op een gevangenisstraf van tweeëntwintig jaar of een behandeling onder vrijheidsberoving van zeventien jaar voor natuurlijke personen en op een geldboete van 2.080.000 euro voor rechtspersonen.

Wijzigingen volgens Justel: (1) <W 2026-03-16/08, art. 19, 005; Inwerkingtreding : 01-09-2026>

Strafwetboek van 1867

Oud art. 54

HOOFDSTUK V. HERHALING.

(Zie NOTA 1 onder TITEL) Hij die, na tot een criminele straf te zijn veroordeeld, een misdaad pleegt die strafbaar is met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar, kan worden veroordeeld tot opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar.

Indien de misdaad strafbaar is met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar, kan de schuldige worden veroordeeld tot opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar.

Hij wordt veroordeeld tot ten minste zeventien jaar opsluiting indien de misdaad strafbaar is met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar.

Wijzigingen volgens Justel: <W 2003-01-23/42, art. 12, 040; Inwerkingtreding : 13-03-2003>

Dit artikel op Justel ↗

Oud art. 55

HOOFDSTUK V. HERHALING.

(Zie NOTA 1 onder TITEL) Hij die, na tot een criminele straf te zijn veroordeeld, een misdaad pleegt die gestraft wordt met hechtenis van vijf jaar tot tien jaar, kan worden veroordeeld tot hechtenis van tien jaar tot vijftien jaar.

Indien de misdaad wordt gestraft met hechtenis van tien jaar tot vijftien jaar, kan de schuldige worden veroordeeld tot (hechtenis van vijftien jaar tot twintig jaar).

Hij wordt veroordeeld tot ten minste zeventien jaar hechtenis, indien de misdaad strafbaar is met (hechtenis van vijftien jaar tot twintig jaar).

Wijzigingen volgens Justel: <W 2003-01-23/42, art. 13, 040; Inwerkingtreding : 13-03-2003>

Dit artikel op Justel ↗

Oud art. 55bis

HOOFDSTUK V. HERHALING.

Hij die, na tot een gevangenisstraf van ten minste een jaar te zijn veroordeeld en voordat vijf jaren zijn verlopen sinds hij zijn straf heeft ondergaan of sinds zijn straf verjaard is, een misdaad pleegt die strafbaar is met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar of hechtenis van vijf jaar tot tien jaar, kan worden veroordeeld tot respectievelijk opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar of hechtenis van tien jaar tot vijftien jaar.

Indien de misdaad strafbaar is met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar of hechtenis van tien jaar tot vijftien jaar, kan de schuldige worden veroordeeld tot respectievelijk opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar of hechtenis van vijftien jaar tot twintig jaar.

Hij wordt veroordeeld tot respectievelijk ten minste zeventien jaar opsluiting of ten minste zeventien jaar hechtenis, indien de misdaad strafbaar is met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar of hechtenis van vijftien jaar tot twintig jaar.

Wijzigingen volgens Justel: (1) <Ingevoegd bij W 2019-05-05/13, art. 2, 139; Inwerkingtreding : 07-06-2019>

Dit artikel op Justel ↗

Oud art. 56

HOOFDSTUK V. HERHALING.

Hij die, na tot een criminele straf te zijn veroordeeld, een wanbedrijf pleegt, kan worden veroordeeld tot het dubbele van het maximum van de straf, bij de wet op het wanbedrijf gesteld.

Dezelfde straf kan worden uitgesproken in geval van een vroegere veroordeling tot gevangenisstraf van ten minste een jaar, indien de veroordeelde het nieuwe wanbedrijf pleegt voordat vijf jaren zijn verlopen sinds hij zijn straf heeft ondergaan of sinds zijn straf verjaard is.

Zelfs in de gevallen bedoeld in het eerste en tweede lid, indien het nieuwe wanbedrijf een misdaad is die werd gecorrectionaliseerd of waarvoor het hof van assisen het bestaan van verzachtende omstandigheden heeft aanvaard, mag de gevangenisstraf de maximumduur van de opsluiting waarin de wet voorziet voor die misdaad of veertig jaar indien het om levenslange opsluiting gaat, niet te boven gaan.

In geen geval mag de uitgesproken straf een jaar straf onder elektronisch toezicht, driehonderd uren werkstraf of twee jaar autonome probatiestraf te boven gaan.

Wijzigingen volgens Justel: (1) <W 2016-02-05/11, art. 14, 114; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

Dit artikel op Justel ↗

Oud art. 57

HOOFDSTUK V. HERHALING.

De bepalingen betreffende de herhaling worden toegepast overeenkomstig de vorige artikelen, ingeval een vroegere veroordeling door een militaire rechtbank is uitgesproken wegens een feit dat door de gewone strafwetten misdaad of wanbedrijf wordt genoemd, en tot een straf die door deze wetten is gesteld.

Indien een bij de militaire wetten gestelde straf wegens dat feit is uitgesproken, nemen de hoven en rechtbanken, bij het beoordelen van de herhaling, alleen de laagste straf in aanmerking, die het bij het eerste vonnis gestrafte feit volgens de gewone strafwetten ten gevolge kon hebben.

Dit artikel op Justel ↗

Oud art. 57bis

HOOFDSTUK V. HERHALING.

De bepalingen betreffende de herhaling, bepaald in de artikelen 54 tot 56, worden toegepast in geval van een vroegere veroordeling die in aanmerking genomen wordt overeenkomstig artikel 99bis.

Wijzigingen volgens Justel: (1) <Ingevoegd bij W 2014-04-25/23, art. 60, 104; Inwerkingtreding : 24-05-2014> (NOTA : bij arrest nr.148/2017 van 21-12-2017 (B.St. 12-01-2018, p. 1393), heeft het Grondwettelijk Hof het artikel 15 vernietigd) <Ingevoegd bij W 2014-04-25/23, art. 60, 104; Inwerkingtreding : 24-05-2014>

Dit artikel op Justel ↗

Samenloop van misdrijven

Nieuw Strafwetboek (sinds 1 september 2026)

Art. 61. Eendaadse samenloop

Wanneer eenzelfde feit verscheidene misdrijven oplevert, wordt de hoofdstraf opgelegd binnen het zwaarste strafniveau. De bijkomende straffen worden cumulatief opgelegd binnen de grenzen bepaald door de wet.

Art. 62. Meerdaadse samenloop

§ 1. Er is meerdaadse samenloop wanneer iemand schuldig wordt bevonden aan verscheidene misdrijven die ieder het gevolg zijn van een verschillend feit en die zijn gepleegd op een ogenblik waarop voor geen van deze feiten een veroordeling is tussengekomen die in kracht van gewijsde is getreden.

§ 2. Indien de rechter oordeelt dat de misdrijven die de samenloop uitmaken met een straf van niveau 7 of 8 moet worden bestraft, wordt alleen de zwaarste straf uitgesproken. De andere hoofdstraffen worden opgeslorpt door deze straf. De bijkomende straffen worden cumulatief opgelegd binnen de grenzen bepaald door de wet.

§ 3. In de andere gevallen wordt, wanneer de feiten gelijktijdig worden berecht, de hoofdstraf opgelegd binnen het zwaarste strafniveau. De hoofdstraf kan evenwel worden verhoogd naar een hoofdstraf van het onmiddellijk hoger niveau. Strafverhoging is niet mogelijk in de hypothese van strafniveau 6 of 1. Indien het toepasselijke strafniveau het niveau 1 is, kunnen de verscheidene hoofdstraffen cumulatief worden opgelegd. In geen geval mag de opgelegde straf hoger zijn dan het maximale cumulatieve straftotaal dat bij een niet-gelijktijdige berechting kan worden opgelegd.

In geval van niet-gelijktijdige berechting houdt de laatst optredende feitenrechter rekening met de eerst uitgesproken straf. De straf die hij oplegt mag de zwaarste hoofdstraf binnen het huidig strafniveau niet te boven gaan. In geen geval mogen de eerst uitgesproken straf en de later uitgesproken straf samen de bovengrens zoals bepaald in de hypothese van gelijktijdige berechting te boven gaan.

De bijkomende straffen worden cumulatief opgelegd binnen de grenzen bepaald door de wet.

§ 4. Wanneer de rechter bij wie een zaak laatst is aangebracht, uitspraak doet zonder kennis van de samenloop, vermindert de strafuitvoeringsrechtbank het straftotaal volgens de voorgaande regels.

Wijzigingen volgens Justel: (1) <W 2026-03-16/08, art. 20, 005; Inwerkingtreding : 01-09-2026>

Strafwetboek van 1867

Oud art. 58

HOOFDSTUK VI. SAMENLOOP VAN VERSCHEIDENE MISDRIJVEN.

Hij die schuldig bevonden wordt aan verscheidene overtredingen, wordt gestraft met de straf die op elk van die overtredingen is gesteld.

(Indien werkstraffen worden uitgesproken, kan de duur ervan maximum driehonderd uren bedragen.)

Indien straffen onder elektronisch toezicht worden uitgesproken, kan de duur ervan maximum een jaar bedragen.

Indien autonome probatiestraffen worden uitgesproken, kan de duur ervan maximum twee jaar bedragen.

Wijzigingen volgens Justel: (1) <W 2014-02-07/15, art. 10, 110; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 01-05-2016, opgeheven op 29-02-2016 bij W 2016-02-05/11, art. 42> (2) <W 2014-04-10/80, art. 12, 111; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 01-05-2016 (zie W 2014-05-08/55, art. 6, gewijzigd zichzelf bij W 2015-11-23/02, art. 13), gewijzigd in dezelfde zin bij W 2016-02-05/11, art. 52, 114> <W 2002-04-17/33, art. 4, 035; Inwerkingtreding : 07-05-2002> <W 2014-02-07/15, art. 10, 110; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 01-05-2016, opgeheven op 29-02-2016 bij W 2016-02-05/11, art. 42> <W 2014-04-10/80, art. 12, 111; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 01-05-2016 (zie W 2014-05-08/55, art. 6, gewijzigd zichzelf bij W 2015-11-23/02, art. 13), gewijzigd in dezelfde zin bij W 2016-02-05/11, art. 52, 114>

Dit artikel op Justel ↗

Oud art. 59

HOOFDSTUK VI. SAMENLOOP VAN VERSCHEIDENE MISDRIJVEN.

Bij samenloop van één of meer wanbedrijven met één of meer overtredingen worden alle geldboeten, autonome probatiestraffen, werkstraffen, straffen onder elektronisch toezicht en correctionele gevangenisstraffen samen opgelegd binnen de grenzen in het volgende artikel bepaald.

Wijzigingen volgens Justel: (1) <W 2014-04-10/80, art. 13, 111; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 01-05-2016 (zie W 2014-05-08/55, art. 6, gewijzigd zichzelf bij W 2015-11-23/02, art. 13), art. 13 gewijzigd bij W 2016-02-05/11, art. 53, 114> <W 2014-04-10/80, art. 13, 111; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 01-05-2016 (zie W 2014-05-08/55, art. 6, gewijzigd zichzelf bij W 2015-11-23/02, art. 13), art. 13 gewijzigd bij W 2016-02-05/11, art. 53, 114>

Dit artikel op Justel ↗

Oud art. 60

HOOFDSTUK VI. SAMENLOOP VAN VERSCHEIDENE MISDRIJVEN.

Bij samenloop van verscheidene wanbedrijven worden alle straffen samen opgelegd, zonder dat zij evenwel het dubbele van het maximum van de zwaarste straf te boven mogen gaan. De uitgesproken straf mag niet hetzij twintig jaar gevangenisstraf, hetzij de zwaarste gevangenisstraf als deze meer dan twintig jaar gevangenis is, te boven gaan. In geen geval mag de uitgesproken straf één jaar straf onder elektronisch toezicht, driehonderd uren werkstraf of twee jaar autonome probatiestraf te boven gaan.

Wijzigingen volgens Justel: (2) <W 2014-04-10/80, art. 14, 111; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 01-05-2016 (zie W 2014-05-08/55, art. 6, gewijzigd zichzelf bij W 2015-11-23/02, art. 13), art. 14 gewijzigd bij W 2016-02-05/11, art. 54, 114> (3) <W 2016-02-05/11, art. 15, 114; Inwerkingtreding : 29-02-2016> (NOTA : bij arrest nr.148/2017 van 21-12-2017 (B.St. 12-01-2018, p. 1393), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel 15 vernietigd) (Zie gearchiveerde versie nr. 113) <W 01-02-1977, art. 5> <W 2016-02-05/11, art. 15, 114; Inwerkingtreding : 29-02-2016> <W 2014-04-10/80, art. 14, 111; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 01-05-2016 (zie W 2014-05-08/55, art. 6, gewijzigd zichzelf bij W 2015-11-23/02, art. 13), art. 14 gewijzigd bij W 2016-02-05/11, art. 54, 114>

Dit artikel op Justel ↗

Oud art. 61

HOOFDSTUK VI. SAMENLOOP VAN VERSCHEIDENE MISDRIJVEN.

Dit artikel was al opgeheven vóór 1 september 2026.

Wijzigingen volgens Justel: <Opgeheven bij W 2019-05-05/10, art. 70, 137; Inwerkingtreding : 03-06-2019>

Dit artikel op Justel ↗

Oud art. 62

HOOFDSTUK VI. SAMENLOOP VAN VERSCHEIDENE MISDRIJVEN.

(Zie NOTA 1 onder TITEL) Bij samenloop van verscheidene misdaden wordt alleen de zwaarste straf uitgesproken. Die straf kan zelfs tot vijf jaar boven het maximum worden verhoogd, indien zij bestaat in (tijdelijke opsluiting of hechtenis van vijftien jaar tot twintig jaar, respectievelijk gedurende een kortere termijn).

Wijzigingen volgens Justel: <W 2003-01-23/42, art. 14, 040; Inwerkingtreding : 13-03-2003>

Dit artikel op Justel ↗

Oud art. 63

HOOFDSTUK VI. SAMENLOOP VAN VERSCHEIDENE MISDRIJVEN.

(Zie NOTA 1 onder TITEL) De zwaarste straf is de langstdurende. Zijn de straffen van gelijke duur, dan wordt opsluiting beschouwd als een zwaardere straf dan hechtenis.

Wijzigingen volgens Justel: <W 2003-01-23/42, art. 15, 040; Inwerkingtreding : 13-03-2003>

Dit artikel op Justel ↗

Oud art. 64

HOOFDSTUK VI. SAMENLOOP VAN VERSCHEIDENE MISDRIJVEN.

De straffen van bijzondere verbeurdverklaring wegens verscheidene misdaden, wanbedrijven of overtredingen, worden altijd samen opgelegd.

Dit artikel op Justel ↗

Oud art. 65

HOOFDSTUK VI. SAMENLOOP VAN VERSCHEIDENE MISDRIJVEN.

Wanneer een zelfde feit verscheidende misdrijven oplevert of wanneer verschillende misdrijven die de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van een zelfde misdadig opzet, gelijktijdig worden voorgelegd aan een zelfde feitenrechter, wordt alleen de zwaarste straf uitgesproken.

Wanneer de feitenrechter vaststelt dat misdrijven die reeds het voorwerp waren van een in kracht van gewijsde gegane beslissing en andere feiten die bij hem aanhangig zijn en die, in de veronderstelling dat zij bewezen zouden zijn, aan die beslissing voorafgaan en samen met de eerste misdrijven de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van een zelfde misdadig opzet, houdt hij bij de straftoemeting rekening met de reeds uitgesproken straffen. Indien deze hem voor een juiste bestraffing van al de misdrijven voldoende lijken, spreekt hij zich uit over de schuldvraag en verwijst hij in zijn beslissing naar de reeds uitgesproken straffen. Het geheel van de straffen uitgesproken met toepassing van dit artikel mag het maximum van de zwaarste straf niet te boven gaan.

Wijzigingen volgens Justel: <W 1994-07-11/33, art. 45, 012; Inwerkingtreding : 31-07-1994>

Dit artikel op Justel ↗

Verzachtende omstandigheden (de vervanging per niveau staat in art. 36 en 38 hierboven)

Nieuw Strafwetboek (sinds 1 september 2026)

Art. 30. Verzachtende omstandigheden

Wanneer de rechter oordeelt dat hij verzachtende omstandigheden in aanmerking kan nemen, vermindert of wijzigt hij de straffen in de mate en volgens de voorwaarden vermeld in dit hoofdstuk.

Strafwetboek van 1867

Oud art. 79

HOOFDSTUK IX. ['>1 - Verzwarende omstandigheden, verzwarende factoren en verzachtende omstandigheden.]'>1

Indien verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, worden de criminele straffen verminderd of gewijzigd overeenkomstig de volgende bepalingen.

Dit artikel op Justel ↗

Oud art. 80

HOOFDSTUK IX. ['>1 - Verzwarende omstandigheden, verzwarende factoren en verzachtende omstandigheden.]'>1

Levenslange opsluiting wordt vervangen door tijdelijke opsluiting of door gevangenisstraf van ten minste drie jaar en van ten hoogste veertig jaar.

Opsluiting van dertig jaar tot veertig jaar door opsluiting van achtendertig jaar of voor een kortere termijn, of door gevangenisstraf van ten minste drie jaar en van ten hoogste achtendertig jaar.

Opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar door opsluiting van achtentwintig jaar of voor een kortere termijn, of door gevangenisstraf van ten minste drie jaar en van ten hoogste achtentwintig jaar.

Opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar door opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar, respectievelijk gedurende vijf jaar tot tien jaar of door gevangenisstraf van ten minste één jaar en van ten hoogste vijftien jaar.

Opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar door opsluiting van vijf jaar tot tien jaar of door gevangenisstraf van ten minste zes maanden en van ten hoogste tien jaar.

Opsluiting van vijf jaar tot tien jaar door gevangenisstraf van ten minste één maand en van ten hoogste vijf jaar.

Wijzigingen volgens Justel: (1) <W 2016-02-05/11, art. 17, 114; Inwerkingtreding : 29-02-2016> (NOTA : bij arrest nr.148/2017 van 21-12-2017 (B.St. 12-01-2018, p. 1393), heeft het Grondwettelijk Hof het artikel 17, 1° en 2° vernietigd) <W 2001-12-11/50, art. 2, 033; Inwerkingtreding : 17-02-2002> <W 2016-02-05/11, art. 17, 114; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

Dit artikel op Justel ↗

Oud art. 81

HOOFDSTUK IX. ['>1 - Verzwarende omstandigheden, verzwarende factoren en verzachtende omstandigheden.]'>1

Levenslange hechtenis, gesteld op misdaden tegen de uitwendige veiligheid van de Staat, wordt vervangen door tijdelijke hechtenis of door een gevangenisstraf van ten minste een jaar en van ten hoogste veertig jaar.

Hechtenis van dertig jaar tot veertig jaar door hechtenis van achtendertig jaar of voor een kortere termijn, of door gevangenisstraf van ten minste één jaar en van ten hoogste achtendertig jaar.

Hechtenis van twintig jaar tot dertig jaar door hechtenis van achtentwintig jaar of voor een kortere termijn, of door gevangenisstraf van ten minste één jaar en van ten hoogste achtentwintig jaar.

Hechtenis van vijftien jaar tot twintig jaar door hechtenis van tien jaar tot vijftien jaar of van vijf jaar tot tien jaar of door een gevangenisstraf van ten minste een jaar en van ten hoogste vijftien jaar.

Hechtenis van tien jaar tot vijftien jaar door hechtenis van vijf jaar tot tien jaar of door een gevangenisstraf van ten minste zes maanden Hechtenis van tien jaar tot vijftien jaar door hechtenis van vijf jaar tot tien jaar of door een gevangenisstraf van ten minste zes maanden. Hechtenis van vijf jaar tot tien jaar door gevangenisstraf van ten minste een maand. Hechtenis van vijf jaar tot tien jaar door gevangenisstraf van ten minste een maand en van ten hoogste vijf jaar.

Wijzigingen volgens Justel: (1) <W 2016-02-05/11, art. 18, 114; Inwerkingtreding : 29-02-2016> (NOTA : bij arrest nr. 148/2017 van 21-12-2017 (B.St. 12-01-2018, p. 1393), heeft het Grondwettelijk Hof het artikel 18, 1° en 2° vernietigd) <W 2003-01-23/42, art. 16, 040; Inwerkingtreding : 13-03-2003> <W 2016-02-05/11, art. 18, 114; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

Dit artikel op Justel ↗

Oud art. 82

HOOFDSTUK IX. ['>1 - Verzwarende omstandigheden, verzwarende factoren en verzachtende omstandigheden.]'>1

In de gevallen van samenloop bepaald bij het artikel 62 van het Strafwetboek, kan het vonnisgerecht niettemin, wanneer de criminele straffen op grond van verzachtende omstandigheden verminderd worden tot correctionele straffen, een enkele straf uitspreken.

Wijzigingen volgens Justel: (1) <W 2019-05-05/10, art. 71, 137; Inwerkingtreding : 03-06-2019> <W 23-08-1919, art. 2>

Dit artikel op Justel ↗

Oud art. 83

HOOFDSTUK IX. ['>1 - Verzwarende omstandigheden, verzwarende factoren en verzachtende omstandigheden.]'>1

De geldboete in criminele zaken kan worden verminderd zonder dat zij ooit lager mag zijn dan zesentwintig euro.

Wijzigingen volgens Justel: <W 2000-06-26/42, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-2002>

Dit artikel op Justel ↗

Oud art. 84

HOOFDSTUK IX. ['>1 - Verzwarende omstandigheden, verzwarende factoren en verzachtende omstandigheden.]'>1

Schuldigen wier criminele straf tot gevangenisstraf wordt verminderd, kunnen worden veroordeeld tot geldboete van zesentwintig euro tot duizend euro.

...

(Lid 3 opgeheven)

Wijzigingen volgens Justel: (1) <W 2009-12-21/14, art. 3, 075; Inwerkingtreding : 21-01-2010> (2) <W 2017-07-06/24, art. 209, 124; Inwerkingtreding : 24-07-2017> <W 2000-06-26/42, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-2002> <W 09-04-1930, art. 32>

Dit artikel op Justel ↗

Oud art. 85

HOOFDSTUK IX. ['>1 - Verzwarende omstandigheden, verzwarende factoren en verzachtende omstandigheden.]'>1

(Indien verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, kunnen de gevangenisstraffen, ... de werkstraffen, de autonome probatiestraffen en de geldboeten respectievelijk tot beneden acht dagen, ... vijfenveertig uren, twaalf maanden en zesentwintig euro worden verminderd, zonder dat zij lager mogen zijn dan politiestraffen.)

De rechter kan ook een van die straffen afzonderlijk toepassen.

Indien alleen gevangenisstraf bepaald is, kan de rechter die straf vervangen door geldboete van ten hoogste vijfhonderd euro.

Indien ontzetting van de in artikel 31, eerste lid genoemde rechten (...) voorgeschreven of toegelaten (is), kan de rechter die (straf) uitspreken voor een termijn van een jaar tot vijf jaar, of in het geheel niet opleggen.

Wijzigingen volgens Justel: (1) <W 2009-04-14/01, art. 7, 073; Inwerkingtreding : 15-04-2009> (2) <W 2014-02-07/15, art. 13, 110; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 01-05-2016, opgeheven op 29-02-2016 bij W 2016-02-05/11, art. 42> (3) <W 2014-04-10/80, art. 15, 111; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 01-05-2016 (zie W 2014-05-08/55, art. 6, gewijzigd zichzelf bij W 2015-11-23/02, art. 13), art. 15 gewijzigd bij W 2016-02-05/11, art. 55, 114> (4) <W 2018-07-11/02, art. 8, 131; Inwerkingtreding : 28-07-2018> <W 2014-04-10/80, art. 15, 111; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 01-05-2016 (zie W 2014-05-08/55, art. 6, gewijzigd zichzelf bij W 2015-11-23/02, art. 13), art. 15 gewijzigd bij W 2016-02-05/11, art. 55, 114> <W 2002-04-17/33, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 07-05-2002> <W 2000-06-26/42, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-2002> <W 09-04-1930, art. 32>

Dit artikel op Justel ↗

Opschorting van de uitspraak en uitstel van de tenuitvoerlegging

Nieuw Strafwetboek (sinds 1 september 2026)

Art. 64. Opschorting van de uitspraak van de ver-oordeling

§ 1. Wanneer de rechter het ten laste gelegd misdrijf waarop een straf van niveau 1, 2, 3, 4, 5 of 6 is gesteld bewezen verklaart, kan hij de opschorting van de uitspraak van de veroordeling gelasten indien de beklaagde hiermee in persoon of via zijn advocaat, met kennis van zaken, instemt.

Aan de opschorting wordt een proeftijd gekoppeld van ten minste een jaar en ten hoogste vijf jaar, met ingang van de dag waarop het vonnis of het arrest in kracht van gewijsde is getreden.

De beslissing tot opschorting maakt een einde aan de vervolging indien zij niet wordt herroepen.

§ 2. Wanneer de opschorting wordt gelast, wordt de beklaagde veroordeeld in de kosten en, indien daar aanleiding toe bestaat, tot de teruggave en de verbeurdverklaring. Desgevallend wordt ook uitspraak gedaan over de burgerlijke vordering.

§ 3. De onderzoeksgerechten kunnen de opschorting van de uitspraak van de veroordeling gelasten ten aanzien van de inverdenkinggestelde onder de voorwaarden bedoeld in de paragrafen 1 en 2 wanneer zij van oordeel zijn dat de openbaarheid van de debatten de declassering van de inverdenkinggestelde zou kunnen veroorzaken of zijn reclassering in gevaar zou kunnen brengen.

§ 4. De opschorting kan op vordering van het openbaar ministerie worden herroepen door de correctionele rechtbank of, indien het feit behoort tot haar bevoegdheid, door de politierechtbank, die de opschorting gelast heeft:

1° indien bij een in kracht van gewijsde getreden beslissing wordt vastgesteld dat een nieuw misdrijf, gepleegd tijdens de proeftijd, een hoofdgevangenisstraf van minstens zes maanden tot gevolg heeft gehad in het geval van een natuurlijk persoon, of een geldboete van meer dan 20.000 euro in het geval van een rechtspersoon;

2° indien diegene voor wie de maatregel is genomen wegens een overtreding van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer of van haar uitvoeringsbesluiten, gedurende de proeftijd een nieuw misdrijf heeft gepleegd dat veroordeling krachtens de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer of haar uitvoeringsbesluiten tot gevolg heeft gehad. Dit geldt eveneens indien de maatregel tegelijkertijd is genomen wegens een overtreding van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer of van haar uitvoeringsbesluiten en wegens een overtreding van de artikelen 107, 107/1 of 218.

Indien de opschorting wordt herroepen, kan voor het betrokken misdrijf ten hoogste een straf van niveau 3 worden opgelegd.

De vordering tot herroeping en tot uitspraak van de veroordeling voor het misdrijf dat aanleiding heeft gegeven tot de opschorting verjaart drie volle jaren na de dag waarop de veroordeling wegens het nieuwe misdrijf in kracht van gewijsde is getreden.

Wijzigingen volgens Justel: (1) <W 2026-03-16/08, art. 21, 005; Inwerkingtreding : 01-09-2026>

Art. 65. Uitstel van de tenuitvoerlegging van de straffen

§ 1. Wanneer de rechter een straf oplegt die een straf van niveau 3 niet te boven gaat, kan hij bevelen dat de tenuitvoerlegging van de hoofdstraffen of bijkomende straffen die hij uitspreekt volledig of gedeeltelijk wordt uitgesteld.

De tenuitvoerlegging van de verbeurdverklaring, van de straf onder elektronisch toezicht, van de werkstraf, van de probatiestraf, van de behandeling onder vrijheidsberoving, van de verlengde opvolging , van de dienstverleningsstraf ten gunste van de gemeenschap of van een vervangende straf kan echter niet worden uitgesteld.

De duur van het uitstel mag niet minder dan een jaar en niet meer dan vijf jaar bedragen, met ingang van de dag waarop het vonnis of het arrest in kracht van gewijsde is getreden.

De rechter kan een gewoon uitstel bevelen of aan het uitstel probatievoorwaarden verbinden.

§ 2. In geval van probatie-uitstel verbindt de rechter aan het uitstel door hem bepaalde probatievoorwaarden, die hij in zijn uitspraak vermeldt, mits de beklaagde zich ertoe verbindt die voorwaarden na te leven.

Het probatie-uitstel impliceert de naleving van de volgende algemene voorwaarden:

1° geen misdrijven plegen;

2° een vast adres hebben en, bij wijziging ervan, het adres van zijn nieuwe verblijfplaats onmiddellijk meedelen aan de bevoegde dienst van de gemeenschappen die met de begeleiding is belast. In afwijking van de eerste zin en tot een datum te bepalen door de Koning, en uiterlijk tot 30 juni 2029, moet de veroordeelde natuurlijke persoon een vast adres hebben en, bij wijziging ervan, het adres van zijn nieuwe verblijfplaats onmiddellijk meedelen aan de bevoegde dienst van de gemeenschappen die met de begeleiding is belast;

3° gevolg geven aan de oproepingen van de strafuitvoeringsrechtbank en, in voorkomend geval, aan die van de bevoegde dienst van de gemeenschappen die met de begeleiding is belast. In afwijking van de eerste zin en tot een datum te bepalen door de Koning, en uiterlijk tot 30 juni 2029, moet de veroordeelde natuurlijke persoon gevolg geven aan de oproepingen van de probatiecommissie en, in voorkomend geval, aan de bevoegde dienst van de gemeenschappen die met de begeleiding is belast.

De bijzondere voorwaarden kunnen onder meer bestaan uit het volgen van een opleiding, een integratietraject richting de arbeidsmarkt of een ambulante behandeling.

§ 3. De strafuitvoeringsrechtbank kan, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van het openbaar ministerie, hetzij op verzoek van de veroordeelde, de probatievoorwaarden geheel of ten dele opschorten, nader omschrijven of aanpassen aan de omstandigheden.

...

In afwijking van het eerste lid en tot een datum te bepalen door de Koning, en uiterlijk tot 30 juni 2029, is ten aanzien van de natuurlijke persoon de probatiecommissie bevoegd om de probatievoorwaarden geheel of ten dele op te schorten, nader te omschrijven of aan te passen aan de omstandigheden overeenkomstig artikel 13 van de wet tijdelijk kader strafuitvoering en ten aanzien van de rechtspersoon de strafuitvoeringsrechter, overeenkomstig artikel 37 van de wet houdende een tijdelijk kader inzake de uitvoering van de straffen.

§ 4. Het uitstel wordt herroepen indien bij een in kracht van gewijsde getreden beslissing wordt vastgesteld dat een nieuw misdrijf, gepleegd tijdens de proeftijd, een gevangenisstraf van meer dan achttien maanden zonder uitstel voor een natuurlijk persoon, of een geldboete van meer dan 180.000 euro zonder uitstel voor een rechtspersoon tot gevolg heeft gehad.

Het uitstel kan worden herroepen indien bij een in kracht van gewijsde getreden beslissing wordt vastgesteld dat een nieuw misdrijf, gepleegd tijdens de proeftijd, een gevangenisstraf zonder uitstel van ten hoogste achttien maanden voor een natuurlijk persoon, of een geldboete van meer dan 20.000 euro tot ten hoogste 180.000 euro zonder uitstel voor een rechtspersoon tot gevolg heeft gehad.

Het probatie-uitstel kan eveneens worden herroepen in geval van een andere ernstige niet-naleving van de algemene of bijzondere probatievoorwaarden.

Het uitstel en het probatie-uitstel kunnen ook worden herroepen indien diegene voor wie de maatregel is genomen wegens een overtreding van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer of van haar uitvoeringsbesluiten, gedurende de proeftijd een nieuw misdrijf heeft gepleegd dat veroordeling krachtens de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer tot gevolg heeft gehad. Dit geldt eveneens indien de maatregel tegelijkertijd is genomen wegens een overtreding van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer of van haar uitvoeringsbesluiten en wegens een overtreding van de artikelen 107, 107/1 of 218.

Wanneer het uitstel kan worden herroepen, doet de strafuitvoeringsrechtbank uitspraak over het verzoek tot herroeping ingediend door het openbaar ministerie. Het verzoek tot herroeping wegens ernstige niet-naleving van de probatievoorwaarden moet uiterlijk binnen een jaar na het verstrijken van de proeftijd van het uitstel worden ingesteld. Het verjaart drie jaar na de dag waarop zij bij de strafuitvoeringsrechtbank is aangebracht.

In afwijking van het vorige lid en tot een datum te bepalen door de Koning, en uiterlijk tot 30 juni 2029, doet de correctionele rechtbank of, in het geval bedoeld in het vierde lid, de politierechtbank, die het uitstel heeft uitgesproken, uitspraak wanneer het uitstel kan worden herroepen.

Wijzigingen volgens Justel: (1) <W 2026-03-16/08, art. 22, 005; Inwerkingtreding : 01-09-2026> (2) <W 2026-03-30/02, art. 104, 007; Inwerkingtreding : 01-09-2026>

Strafwetboek van 1867

In het oude recht stonden opschorting en uitstel niet in het Strafwetboek maar in de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie. Die wet staat niet op deze site; lees ze op Justel.

officiële tekst op Justel ↗

Ontzetting uit bepaalde burgerlijke en politieke rechten

Nieuw Strafwetboek (sinds 1 september 2026)

Art. 47. Ontzetting uit bepaalde burgerlijke en politieke rechten

De gehele of gedeeltelijke ontzetting heeft betrekking op de uitoefening van de volgende rechten:

1° het recht openbare ambten, bedieningen of betrekkingen te vervullen of de titels en graden te voeren waarmee de betrokkene is bekleed;

2° het recht verkozen te worden;

3° het recht enig ereteken te dragen of enige adellijke titel te voeren;

4° het recht gezworene of deskundige te zijn, als instrumentair of attesterend getuige bij akten op te treden; het recht in rechte te getuigen, anders dan om enkel inlichtingen te geven;

5° het recht geroepen te worden tot het ambt van voogd, toeziend voogd of curator, behalve over de eigen kinderen, of om het ambt van gerechtelijk bewindvoerder over de goederen van een vermoedelijk afwezige of bewindvoerder van een persoon die krachtens artikel 492/1 van het oud Burgerlijk Wetboek is beschermd uit te oefenen;

6° het recht wapens te dragen of enige activiteit met betrekking tot wapens uit te oefenen;

7° het recht te dienen in het leger.

In geval van veroordeling tot een straf van niveau 8 wordt de levenslange ontzetting uitgesproken van de rechten bedoeld in het eerste lid. De rechter kan daarnaast de ontzetting van het kiesrecht opleggen voor het leven of voor een periode van twintig tot ten hoogste dertig jaar.

In geval van veroordeling tot een straf van niveau 7, kan de rechter de veroordeelde geheel of ten dele ontzetten van de uitoefening van de rechten bedoeld in het eerste lid voor twintig jaar. De rechter kan daarnaast de ontzetting van het kiesrecht opleggen voor een zelfde periode.

In geval van veroordeling tot een straf van niveau 2 tot en met 6, kan de rechter de veroordeelde geheel of ten dele ontzetten van de uitoefening van de rechten bedoeld in het eerste lid voor vijf tot ten hoogste tien jaar.

De periode van de ontzetting, bij het vonnis of arrest van veroordeling bepaald, gaat in op de dag waarop de veroordeling in kracht van gewijsde is getreden. De termijn wordt evenwel verlengd met de tijd waarin de gevangenisstraf of de behandeling onder vrijheidsberoving wordt uitgevoerd, met uitzondering van de periode gedurende dewelke de straf wordt uitgevoerd onder de modaliteit van het elektronisch toezicht en de periodes van voorwaardelijke invrijheidsstelling, voorlopige invrijheidsstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering en de invrijheidsstelling onder toezicht.

Indien daartoe grond bestaat, kan de strafuitvoeringsrechtbank beslissen een in kracht van gewijsde getreden veroordeling tot de ontzetting uit de rechten te wijzigen door de duur of de omvang van de ontzetting te verminderen, de ontzetting op te schorten of te beëindigen.

Wijzigingen volgens Justel: (1) <W 2026-03-16/08, art. 11, 005; Inwerkingtreding : 01-09-2026>

Strafwetboek van 1867

Oud art. 31

HOOFDSTUK II. STRAFFEN. · AFDELING V. STRAFFEN AAN MISDADEN EN WANBEDRIJVEN GEMEEN.

Bij alle vonnissen of arresten van veroordeling tot levenslange opsluiting of levenslange hechtenis, tot opsluiting van tien jaar of meer of tot gevangenisstraf van twintig jaar of meer wordt tegen de veroordeelden levenslange ontzetting uitgesproken van het recht om :

1° Openbare ambten, bedieningen of betrekkingen te vervullen;

2° (...), verkozen te worden;

3° Enig ereteken te dragen of enige adellijke titel te voeren;

4° Gezworene of deskundige te zijn, als instrumentair of attesterend getuige bij akten op te treden; in rechte te getuigen, anders dan om enkel inlichtingen te geven;

(5° Geroepen te worden tot het ambt van voogd, toeziend voogd of curator, behalve over hun eigen kinderen, of om het ambt van ... (gerechtelijk bewindvoerder over de goederen van een vermoedelijk afwezige) of bewindvoerder van een persoon die krachtens artikel 492/1 van het Burgerlijk Wetboek is beschermd uit te oefenen.)

6° (een wapen of munitie te vervaardigen, te wijzigen, te herstellen, over te dragen, voorhanden te hebben, te dragen, te vervoeren, in, uit, of door te voeren, of te dienen in de Krijgsmacht.)

De arresten of vonnissen van veroordeling bedoeld in het vorige lid kunnen bovendien tegen de veroordeelden de ontzetting van het kiesrecht uitspreken, voor hun leven of voor twintig jaar tot dertig jaar.

Wijzigingen volgens Justel: (1) <W 2009-04-14/01, art. 2, 073; Inwerkingtreding : 15-04-2009> (2) <W 2013-03-17/14, art. 150, 101; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)> (3) <W 2016-02-05/11, art. 7, 114; Inwerkingtreding : 29-02-2016> <W 12-04-1894, art. 130> <W 2001-04-29/39, art. 73, 054; Inwerkingtreding : 01-08-2001> <W 2007-05-09/44, art. 48, 067; Inwerkingtreding : 01-07-2007> <W 2006-06-08/30, art. 38, 057; Inwerkingtreding : 09-06-2006>

Dit artikel op Justel ↗

Oud art. 32

HOOFDSTUK II. STRAFFEN. · AFDELING V. STRAFFEN AAN MISDADEN EN WANBEDRIJVEN GEMEEN.

De hoven en rechtbanken kunnen de veroordeelden tot opsluiting van vijf tot minder dan tien jaar, tot tijdelijke hechtenis of tot gevangenisstraf van tien tot minder dan twintig jaar, voor hun leven of voor tien jaar tot twintig jaar, geheel of ten dele ontzetten van de uitoefening van de rechten bedoeld in artikel 31.

Wijzigingen volgens Justel: (1) <W 2016-02-05/11, art. 8, 114; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

Dit artikel op Justel ↗

Oud art. 33

HOOFDSTUK II. STRAFFEN. · AFDELING V. STRAFFEN AAN MISDADEN EN WANBEDRIJVEN GEMEEN.

Onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 31 en 32 kunnen de hoven en rechtbanken, in de gevallen bij de wet bepaald, de tot correctionele straffen veroordeelden voor een termijn van vijf jaar tot tien jaar, geheel of ten dele ontzetten van de uitoefening van de rechten genoemd in artikel 31, eerste lid.

Zij kunnen dezelfde ontzetting voor dezelfde duur uitspreken tegen de schuldigen wier criminele straf verminderd is tot een gevangenisstraf van minder dan tien jaar.

Wijzigingen volgens Justel: (1) <W 2009-04-14/01, art. 4, 073; Inwerkingtreding : 15-04-2009> (2) <W 2016-02-05/11, art. 9, 114; Inwerkingtreding : 29-02-2016> (3) <W 2017-07-06/24, art. 208, 124; Inwerkingtreding : 24-07-2017>

Dit artikel op Justel ↗

Oud art. 33bis

HOOFDSTUK II. STRAFFEN. · AFDELING V. STRAFFEN AAN MISDADEN EN WANBEDRIJVEN GEMEEN.

Onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 31 en 32 zullen de hoven en rechtbanken de tot correctionele straffen veroordeelden kunnen ontzetten van de uitoefening van het recht bedoeld in artikel 31, tweede lid, voor een termijn van vijf jaar tot tien jaar.

Wijzigingen volgens Justel: (1) <Ingevoegd bij W 2009-04-14/01, art. 5, 073; Inwerkingtreding : 15-04-2009> (2) <W 2016-02-05/11, art. 10, 114; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

Dit artikel op Justel ↗

Oud art. 34

HOOFDSTUK II. STRAFFEN. · AFDELING V. STRAFFEN AAN MISDADEN EN WANBEDRIJVEN GEMEEN.

De tijd van de ontzetting, bij het vonnis of het arrest van veroordeling bepaald, gaat in op de dag dat de veroordeelde zijn straf heeft ondergaan of dat zijn straf verjaard is.

Bovendien heeft de ontzetting haar gevolgen met ingang van de dag waarop de op tegenspraak of bij verstek gewezen veroordeling onherroepelijk is geworden.

(De ontzetting die is uitgesproken ten aanzien van een veroordeelde die overeenkomstig de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie voor de tenuitvoerlegging van zijn straf volledig of gedeeltelijk uitstel heeft verkregen, gaat in op de dag waarop het uitstel begint te lopen zolang dat niet wordt herroepen.)

Wijzigingen volgens Justel: <W 2003-12-22/42, art. 380, 047; Inwerkingtreding : 10-01-2004, is vanaf zijn inwerkingtreding van toepassing, ook voor de veroordeelde personen die uitstel genieten of genoten hebben>

Dit artikel op Justel ↗

Terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank en verlengde opvolging

Nieuw Strafwetboek (sinds 1 september 2026)

Art. 46. Verlengde opvolging

Dit artikel treedt in werking op 1 januari 2035, niet op 1 september 2026 (art. 38 van de wet van 29 februari 2024 tot invoering van boek I).

§ 1. Indien de rechter een straf oplegt van niveau 3 of van een hoger niveau wegens een misdrijf dat een ernstige inbreuk heeft uitgemaakt op het leven, de fysieke, seksuele of psychische integriteit van het slachtoffer of een ernstig gevaar uitmaakte voor de openbare veiligheid kan hij een verlengde opvolging opleggen als bijkomende straf.

Deze straf moet worden opgelegd indien de rechter de beklaagde of beschuldigde veroordeelt tot een straf van niveau 7 of 8 en de beklaagde of beschuldigde reeds eerder werd veroordeeld voor een misdrijf waarop de wet een straf van niveau 7 of 8 stelt.

Deze straf moet eveneens worden opgelegd indien de rechter de beklaagde of beschuldigde veroordeelt tot een straf van niveau 4 of van een hoger niveau en de veroordeling, al dan niet in samenloop met andere misdrijven, is gebaseerd op een van de volgende misdrijven:

1° foltering met de dood tot gevolg bedoeld in artikel 118;

2° verkrachting van een minderjarige bedoeld in de artikelen 143, vijfde streepje, 144, vijfde streepje, en 145, vijfde streepje;

3° niet-consensuele seksuele handelingen met de dood tot gevolg bedoeld in artikel 139;

4° ontvoering met de dood tot gevolg bedoeld in artikel 225;

5° een terroristisch misdrijf bedoeld in artikel 371, in geval dit de dood heeft veroorzaakt.

Alvorens de rechter beslist een verlengde opvolging op te leggen, wint hij het gemotiveerd advies in van een deskundige of van een gespecialiseerde dienst, door de Koning erkend bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.

Het advies bevat een beschrijving van de aard van de eventuele problematiek waarmee de beklaagde of de beschuldigde kampt en de mogelijkheden inzake begeleiding, behandeling of opvolging.

In afwijking van het vijfde lid, is de rechter niet verplicht het bedoelde gemotiveerd advies in te winnen indien hij een verplicht verlengde opvolging oplegt.

§ 2. De verlengde opvolging bestaat uit de verplichting om, na afloop van de gevangenisstraf of behandeling onder vrijheidsberoving, voorwaarden na te leven voor een bepaalde duur. Deze voorwaarden zijn gericht op het aanpakken van de eventuele problematiek die heeft bijgedragen tot de veroordeling van de beklaagde of de beschuldigde en het vermijden van het plegen van nieuwe feiten.

Indien de veroordeelde de opgelegde voorwaarden niet naleeft, indien hij de uitvoering van de verlengde opvolging onmogelijk maakt of indien de veroordeelde te kennen geeft niet bereid te zijn voorwaarden na te leven, kan hij worden opgesloten in een door de strafuitvoeringsrechtbank aangewezen instelling voor de duur van de verlengde opvolging. Deze instelling kan in geen geval een gevangenis zijn.

§ 3. De verlengde opvolging wordt opgelegd voor een duur van ten hoogste vijf jaar indien een straf wordt opgelegd van niveau 3, van ten hoogste tien jaar indien een straf wordt opgelegd van niveau 4 en van ten hoogste vijftien jaar indien een straf wordt opgelegd van niveau 5, 6, 7 of 8. Indien de verlengde opvolging verplicht wordt opgelegd overeenkomstig paragraaf 1, tweede of derde lid, bedraagt de minimale duur van de verlengde opvolging vijf jaar.

Indien de strafuitvoeringsrechtbank op een van de gronden opgesomd in paragraaf 2, tweede lid, beslist dat de veroordeelde van zijn vrijheid moet worden beroofd en op dat moment reeds de termijn van de proeftijd voor voorwaardelijke invrijheidstelling of voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering die van toepassing zou zijn geweest indien geen verlengde opvolging tegen hem was uitgesproken is verstreken, houdt de strafuitvoeringsrechtbank bij het bepalen van de resterende duur van de verlengde opvolging rekening met de reeds doorlopen periode waarin voorwaarden werden nageleefd na het verstrijken van deze termijn.

§ 4. De verlengde opvolging kan enkel worden uitgevoerd indien de veroordeelde de opgelegde gevangenisstraf of behandeling onder vrijheidsberoving uitzit, zonder met succes de in artikel 71 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten bepaalde proeftijd te hebben doorlopen.

§ 5. Met het oog op de uitvoering van deze straf bepaalt de strafuitvoeringsrechtbank, na het horen van de veroordeelde, zes maanden voorafgaand aan de voorziene datum van strafeinde, de concrete voorwaarden waaraan de veroordeelde zich na de beëindiging van de gevangenisstraf of behandeling onder vrijheidsberoving dient te houden. Het openbaar ministerie stelt met het oog op deze zitting een dossier samen, met daarin een advies van de gevangenisdirecteur of de instellingsdirecteur en desgevallend van een deskundige bedoeld in paragraaf 1, vierde lid, met betrekking tot de bij de veroordeelde aanwezige problematiek.

De opgelegde voorwaarden omvatten de volgende algemene voorwaarden:

1° geen misdrijven plegen;

2° een vast adres hebben en bij wijziging ervan, het adres van zijn nieuwe verblijfplaats onmiddellijk meedelen aan de bevoegde dienst van de gemeenschappen die met de begeleiding is belast;

3° gevolg geven aan de oproepingen van de strafuitvoeringsrechtbank en, in voorkomend geval, aan die van de bevoegde dienst van de gemeenschappen die met de begeleiding is belast.

De strafuitvoeringsrechtbank kan op elk moment de opgelegde voorwaarden geheel of ten dele opschorten, nader omschrijven of aanpassen aan de omstandigheden, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van het openbaar ministerie, hetzij op verzoek van de veroordeelde. Indien de strafuitvoeringsrechtbank van oordeel is dat de verlengde opvolging het gevaar op recidive afdoende ingeperkt heeft, beslist zij om voortijdig een einde te maken aan deze straf, zelfs indien de door de vonnisrechter bepaalde termijn nog niet is verstreken.

Wet van 29 februari 2024 tot invoering van boek I van het Strafwetboek, art. 36

Tot de inwerkingtreding van artikel 46 van het Strafwetboek moeten de verwijzingen naar "de verlengde opvolging" in het Strafwetboek worden gelezen als verwijzingen naar "de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank", zoals geregeld door artikel 37 van deze wet.

officiële tekst op Justel ↗

Wet van 29 februari 2024 tot invoering van boek I van het Strafwetboek, art. 37

§ 1. De terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank is een bijkomende straf die in de in paragraaf 2 bepaalde gevallen kan of moet worden uitgesproken, met het oog op de bescherming van de maatschappij.

De terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank maakt het voor de strafuitvoeringsrechtbank mogelijk om de veroordeelde verder van zijn vrijheid te beroven na de uitvoering van de gevangenisstraf of de behandeling onder vrijheidsberoving of om hem verder te onderwerpen aan strafuitvoeringsmodaliteiten.

§ 2. Indien de rechter een gevangenisstraf of behandeling onder vrijheidsberoving oplegt van niveau 3 of van een hoger niveau wegens een misdrijf dat een ernstige inbreuk heeft uitgemaakt op het leven, de fysieke, seksuele of psychische integriteit van het slachtoffer of een ernstig gevaar uitmaakte voor de openbare veiligheid kan hij een ter beschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank opleggen als bijkomende straf.

Deze straf moet worden opgelegd indien de rechter de beklaagde of de beschuldigde veroordeelt tot een straf van niveau 7 of 8 en de beklaagde of de beschuldigde reeds eerder werd veroordeeld voor een misdrijf waarop de wet een straf van niveau 7 of 8 stelt.

Deze straf moet eveneens worden opgelegd indien de rechter de beklaagde of beschuldigde veroordeelt tot een straf van niveau 4 of van een hoger niveau en de veroordeling, al dan niet in samenloop met andere misdrijven, is gebaseerd op een van de volgende misdrijven:

a) foltering met de dood tot gevolg, bedoeld in artikel 118 van het Strafwetboek;

b) verkrachting van een minderjarige in de zin van de artikelen 143, vijfde streepje, 144, vijfde streepje, en 145, vijfde streepje, van het Strafwetboek;

c) niet-consensuele seksuele handelingen met de dood tot gevolg in de zin van artikel 139 van het Strafwetboek;

d) ontvoering met de dood tot gevolg, bedoeld in artikel 225 van het Strafwetboek;

e) een terroristisch misdrijf in de zin van artikel 371 van het Strafwetboek, wanneer dit misdrijf de dood van een of meer personen heeft veroorzaakt.

§ 3. De duur van de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank is ten hoogste vijf jaar indien een straf wordt opgelegd van niveau 3, ten hoogste tien jaar indien een straf wordt opgelegd van niveau 4 en ten hoogste vijftien jaar indien een straf wordt opgelegd van niveau 5, 6, 7 of 8. Indien de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank verplicht wordt opgelegd overeenkomstig paragraaf 2, tweede of derde lid, bedraagt de minimale duur van de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank vijf jaar.

De terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank gaat in na afloop van de vrijheidsberovende straf.

§ 4. De strafdossiers met betrekking tot de eerdere veroordelingen die als grondslag worden ingeroepen voor de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank worden aan het dossier gevoegd. Indien het gaat om een veroordeling bedoeld in artikel 76 van het Strafwetboek wordt een voor eensluidend verklaard afschrift van de betrokken beslissing aan het dossier gevoegd.

officiële tekst op Justel ↗

Wet van 29 februari 2024 tot invoering van een beveiligingsmaatregel ter bescherming van de maatschappij, art. 40

Na de inwerkingtreding van de wet van 29 februari 2024 tot invoering van boek I van het Strafwetboek en tot de inwerkingtreding van de verlengde opvolging moeten de verwijzingen in deze wet naar "de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank" worden gelezen als "de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank zoals geregeld door artikel 37 van de wet van 29 februari 2024 tot invoering van boek I van het Strafwetboek".

officiële tekst op Justel ↗

Strafwetboek van 1867

Oud art. 34bis

HOOFDSTUK II. STRAFFEN. · AFDELING V. STRAFFEN AAN MISDADEN EN WANBEDRIJVEN GEMEEN.

De terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank is een bijkomende straf die in de door de wet bepaalde gevallen moet of kan worden uitgesproken met het oog op de bescherming van de maatschappij tegen personen die bepaalde ernstige strafbare feiten plegen die de integriteit van personen aantasten. Deze bijkomende straf gaat in na het verstrijken van de ... hoofdgevangenisstraf of van de opsluiting.

Wijzigingen volgens Justel: (1) <W 2014-04-25/23, art. 31, 104; Inwerkingtreding : 24-05-2014> <Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

Dit artikel op Justel ↗

Oud art. 34ter

HOOFDSTUK II. STRAFFEN. · AFDELING V. STRAFFEN AAN MISDADEN EN WANBEDRIJVEN GEMEEN.

De hoven en rechtbanken spreken een terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank uit voor een periode van minimum vijf en maximum vijftien jaar die ingaat na afloop van de ... hoofdstraf bij de volgende veroordelingen :

1° De veroordelingen die toepassing maken van de artikelen 54 en 57bis, behalve indien de vroegere straf voor een politieke misdaad werd opgelegd;

2° De veroordelingen die, toepassing makend van de artikelen 57 en 57bis, een herhaling van misdaad op misdaad vaststellen, behalve indien de vroegere straf voor een politieke misdaad werd opgelegd.

3° De veroordelingen tot een vrijheidsstraf van minstens vijf jaar op grond van de artikelen 137, ingeval dit de dood heeft veroorzaakt, 417/12, 417/2, derde lid, 2°, 417/16, tweede lid, vijfde streepje, 417/17, tweede lid, vijfde streepje en 417/18, tweede lid, vijfde streepje en 428, § 5.

Wijzigingen volgens Justel: (1) <W 2014-04-25/23, art. 32, 104; Inwerkingtreding : 24-05-2014> (2) <W 2014-04-25/23, art. 57, 104; Inwerkingtreding : 24-05-2014> (3) <W 2016-02-05/11, art. 11, 114; Inwerkingtreding : 29-02-2016> (4) <W 2022-03-21/01, art. 84, 148; Inwerkingtreding : 01-06-2022> (5) <W 2024-02-29/11, art. 33, 159; Inwerkingtreding : 18-04-2024> <Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

Dit artikel op Justel ↗

Oud art. 34quater

HOOFDSTUK II. STRAFFEN. · AFDELING V. STRAFFEN AAN MISDADEN EN WANBEDRIJVEN GEMEEN.

De hoven en rechtbanken kunnen een terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank uitspreken voor een periode van minimum vijf en maximum vijftien jaar die ingaat na afloop van de ... hoofdstraf bij de volgende gevallen :

1° De veroordelingen ten aanzien van personen die, na tot een straf van ten minste vijf jaar gevangenis of tot een gelijkwaardige straf die in aanmerking genomen wordt overeenkomstig artikel 99bis, te zijn veroordeeld wegens feiten waardoor opzettelijk ernstig lijden of ernstig lichamelijk letsel of schade aan de geestelijke of lichamelijke gezondheid wordt veroorzaakt, binnen een termijn van tien jaar, te rekenen vanaf het ogenblik dat de veroordeling in kracht van gewijsde is gegaan, opnieuw veroordeeld wordt wegens gelijkaardige feiten;

2° De veroordelingen op grond van de artikelen 136bis, 136ter, 136quater, 136quinquies, 136sexies, 136septies, 347bis, § 4, 1° in fine, 393, 394, 395, 396, 397, 417/3, derde lid, 2°, 433octies, 1°, 475, 518, lid 3, en 532;

3° De veroordelingen op grond van de artikelen 417/7, 417/10, 417/11, 417/13 tot 417/22.

4° Ingeval de artikelen 62 of 65 worden toegepast, de veroordelingen op grond van samenlopende misdrijven die niet worden vermeld in 1° tot 3°.

Wijzigingen volgens Justel: (1) <W 2011-11-30/28, art. 1, 083; Inwerkingtreding : 30-01-2012> (2) <W 2014-04-25/23, art. 33, 104; Inwerkingtreding : 24-05-2014> (3) <W 2014-04-25/23, art. 58, 104; Inwerkingtreding : 24-05-2014> (4) <W 2016-02-01/09, art. 6, 115; Inwerkingtreding : 29-02-2016> (5) <W 2019-05-05/10, art. 65, 137; Inwerkingtreding : 03-06-2019> (6) <W 2020-05-04/16, art. 3, 142; Inwerkingtreding : 01-07-2020> (7) <W 2022-03-21/01, art. 85, 148; Inwerkingtreding : 01-06-2022> <Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

Dit artikel op Justel ↗

Oud art. 34quinquies

HOOFDSTUK II. STRAFFEN. · AFDELING V. STRAFFEN AAN MISDADEN EN WANBEDRIJVEN GEMEEN.

Ingeval de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank niet wettelijk verplicht is, worden de procedures betreffende de misdrijven die als grondslag voor de herhaling gelden, bij het dossier der vervolging gevoegd en de gronden van de beslissing worden erin omschreven.

Indien de misdrijven die als grondslag voor de herhaling gelden vastgesteld zijn in een veroordeling uitgesproken in een andere lidstaat van de Europese Unie, wordt in alle gevallen een voor eensluidend verklaard afschrift van de beslissing bij het dossier der vervolging gevoegd.

Wijzigingen volgens Justel: (1) <W 2014-04-25/23, art. 59, 104; Inwerkingtreding : 24-05-2014> <Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

Dit artikel op Justel ↗

Verbeurdverklaring

Nieuw Strafwetboek (sinds 1 september 2026)

Art. 53. Verbeurdverklaring

§ 1. Behoudens wanneer ze als hoofdstraf van niveau 1 wordt uitgesproken, is de verbeurdverklaring een bijkomende straf die de rechter moet uitspreken wanneer hij het misdrijf bewezen verklaart.

§ 2. De rechter spreekt de verbeurdverklaring uit:

1° van de zaken die het voorwerp van het misdrijf uitmaken, indien zij eigendom zijn van de veroordeelde;

2° van de zaken die hebben gediend of waren bestemd tot het plegen van het misdrijf, indien zij eigendom zijn van de veroordeelde;

3° van de zaken die uit het misdrijf zijn ontstaan;

4° van de vermogensvoordelen die uit het misdrijf zijn verkregen, van de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en van de inkomsten uit de belegde voordelen.

Indien de verbeurd te verklaren zaken bedoeld in het eerste lid, 2° en 4°, niet in het vermogen van de veroordeelde kunnen worden teruggevonden, gaat de rechter, op schriftelijke vordering van het openbaar ministerie of ambtshalve, na de beklaagde of de beschuldigde hierover te hebben gehoord, over tot een raming van de geldwaarde ervan en spreekt de verbeurdverklaring uit van een daarmee overeenstemmend geldbedrag. Wanneer er meerdere daders zijn, zal enkel diegene die het verbeurd te verklaren goed heeft onttrokken aan de gerechtelijke autoriteiten worden veroordeeld tot betaling van het daarmee overeenstemmend bedrag. Indien die persoon niet kan worden bepaald, zal elk van de daders worden veroordeeld tot de betaling van een deel van dat bedrag, te bepalen door de rechtbank, die hierbij rekening houdt met het aandeel van elk van de veroordeelde daders in het misdrijf.

§ 3. De verbeurdverklaring van onroerende goederen die hebben gediend of bestemd zijn geweest voor het plegen van het misdrijf zal slechts worden bevolen in de door de wet bepaalde gevallen.

§ 4. De verbeurdverklaring van onroerende goederen kan enkel gebeuren op schriftelijke vordering van het openbaar ministerie. Wanneer zij niet wordt voorafgegaan door een strafrechtelijk beslag op het onroerende goed, wordt deze vordering kosteloos in de kantlijn van de laatst overgeschreven akte vermeld bij de bevoegde dienst van de Federale Overheidsdienst Financiën. Het openbaar ministerie vordert de kosteloze doorhaling van de kantmelding, als daartoe grond bestaat.

§ 5. Voor het bepalen van het bedrag van de vermogensbestanddelen die ... uit het misdrijf zijn verkregen, kan de rechter zich inzonderheid baseren op alle elementen die hem op tegensprekelijke wijze worden voorgelegd, en die wijzen op een onevenwicht tussen enerzijds de tijdelijke of blijvende aangroei van het vermogen en de bestedingen van de veroordeelde gedurende de incriminatieperiode die door het openbaar ministerie worden bewezen, en anderzijds de tijdelijke of blijvende aangroei van het vermogen en de bestedingen van de veroordeelde in diezelfde periode, waarvan die laatste geloofwaardig kan maken dat ze niet voortspruiten uit de misdrijven waarvoor hij werd veroordeeld.

§ 6. De rechter vermindert indien nodig de verbeurdverklaring van de goederen die hebben gediend tot of waren bestemd om het misdrijf te plegen bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, 2°, of het bedrag van de vermogensvoordelen bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, 4°, of de raming van de geldwaarde bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, teneinde de veroordeelde niet aan een onredelijk zware straf te onderwerpen.

§ 7. De verbeurdverklaring van de in paragrafen 1 en 2, eerste lid, bedoelde zaken wordt eveneens uitgesproken wanneer die zaken zich buiten het Belgische grondgebied bevinden.

De verbeurdverklaring van de in paragraaf 2, eerste lid, 1° en 2°, bedoelde zaken, uitgesproken ten aanzien van publiekrechtelijke rechtspersonen, kan enkel betrekking hebben op goederen die vatbaar zijn voor burgerlijk beslag.

§ 8. Behoudens toepassing van artikel 67, worden de verbeurdverklaarde zaken aan de Schatkist toegekend.

§ 9. Iedere derde die beweert recht te hebben op de verbeurdverklaarde zaak, kan dit recht laten gelden binnen een termijn en volgens de nadere regels bepaald door de Koning.

Wijzigingen volgens Justel: (1) <W 2026-03-16/08, art. 15, 005; Inwerkingtreding : 01-09-2026>

Art. 54. Verruimde verbeurdverklaring

§ 1. De vermogensvoordelen, de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en de inkomsten uit de belegde voordelen die worden gevonden in het vermogen of in het bezit van een persoon, ook indien zij gelokaliseerd zijn buiten het Belgische grondgebied, kunnen op schriftelijke vordering van het openbaar ministerie verbeurdverklaard worden, of die persoon kan worden veroordeeld tot de betaling van een bedrag dat door de rechter wordt geraamd als zijnde overeenstemmend met de waarde van deze zaken indien de betrokkene schuldig werd bevonden:

1° ofwel aan een of meer misdrijven bedoeld:

a) in de artikelen 151 tot 168, 170 tot 174;

b) in de artikelen 258 tot 261, 290 en 291;

c) in de artikelen 342 tot 346;

d) in artikel 371, voor zover die misdrijven bestraft worden met een van de straffen van niveau 3 tot 8, en van dien aard zijn dat zij financieel gewin kunnen opleveren, in de artikelen 373 tot 375, voor zover dit misdrijf van dien aard is dat het financieel gewin kan opleveren, in de artikelen 376 tot 382, voor zover deze misdrijven van dien aard zijn dat zij financieel gewin kunnen opleveren, in artikel 383, voor zover dit misdrijf wordt bestraft met een van de straffen bedoeld in artikel 383, § 1, tweede en derde streepje, en van dien aard is dat het financieel gewin kan opleveren, en in de artikelen 384 tot 386, voor zover deze misdrijven van dien aard zijn dat zij financieel gewin kunnen opleveren;

e) in de artikelen 407 tot 409;

f) in de artikelen 427, 439 en 441;

g) in artikel 487;

h) in de artikelen 501 en 502, met uitzondering van de zaken die gedekt zijn door artikel 53, § 2, eerste lid, 1° ;

i) in de artikelen 488, 524 tot 528 en 531 tot 533;

j) in artikel 638;

k) in artikel 2bis, § 1, van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van de giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, ontsmettingsstoffen en antiseptica die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, voor zover de feiten betrekking hebben op de invoer, de uitvoer, de vervaardiging, de verkoop of het te koop stellen van de in dat artikel bedoelde middelen en stoffen, of in artikel 2bis, § 4, b), of in § 5;

l) in artikel 2quater, eerste lid, 4°, van dezelfde wet;

2° ofwel aan strafbare feiten waarvan de ernst en de finaliteit de rechtbank toelaat te besluiten dat deze feiten werden gepleegd in het kader van ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerd.

§ 2. De verruimde verbeurdverklaring kan worden uitgesproken tegen de daders en deelnemers die werden veroordeeld wegens één of meerdere van de in dit artikel opgesomde misdrijven en onder de in paragraaf 1 bepaalde voorwaarden, wanneer de veroordeelde over een relevante periode verdere vermogensvoordelen heeft ontvangen terwijl er ernstige en concrete elementen zijn dat deze voordelen voortspruiten uit het misdrijf waarvoor hij werd veroordeeld of uit misdrijven die, rechtstreeks of onrechtstreeks, aanleiding kunnen geven tot een economisch voordeel voor zover zij voorkomen in dezelfde rubriek, bepaald in paragraaf 1, als het misdrijf waarvoor de betrokkene is veroordeeld en de veroordeelde het tegendeel niet geloofwaardig maakt.

§ 3. Als relevante periode wordt aanzien de periode van vijf jaar die aanvangt bij het plegen van het eerste misdrijf dat is bewezen in hoofde van de veroordeelde, en die eindigt op de datum van de uitspraak van het vonnis.

De ernstige en concrete elementen kunnen worden geput uit alle geloofwaardige elementen die op tegensprekelijke wijze aan de rechtbank zijn overgelegd.

Het openbaar ministerie levert het bewijs van het bestaan van een verrijking die niet gerechtvaardigd is door een geoorloofde oorzaak over de relevante periode.

Onder verrijking verstaat men de al dan niet tijdelijke vermeerdering van de middelen en de vermindering van de uitgaven die de veroordeelde heeft genoten en die niet gerechtvaardigd zijn door een geoorloofde oorzaak. De beklaagde of de beschuldigde kan de geoorloofde herkomst van die verrijking aannemelijk maken.

§ 4. De rechter vermindert, indien nodig, het bedrag van de vermogensvoordelen of de geldwaarde ervan teneinde de veroordeelde niet te onderwerpen aan een onredelijk zware straf.

§ 5. Iedere derde die beweert recht te hebben op de verbeurdverklaarde zaak, kan dit recht laten gelden binnen een termijn en volgens de nadere regels bepaald door de Koning. In dit verband kan hij de rechtmatige herkomst van de zaak aannemelijk maken.

§ 6. Behoudens toepassing van artikel 67, worden de verbeurdverklaarde zaken aan de Schatkist toegekend.

Wijzigingen volgens Justel: (1) <W 2026-03-16/08, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 01-09-2026> (2) <W 2026-03-16/13, art. 26, 006; Inwerkingtreding : 01-09-2026>

Art. 70. Verbeurdverklaring als beveiligingsmaatregel

De rechter die over de grond van de zaak oordeelt, beveelt, zelfs ambtshalve, de vernietiging of verbeurdverklaring van zaken waarvan het bezit strijdig is met de openbare orde, de openbare veiligheid of volksgezondheid of met de goede zeden.

De vernietiging of verbeurdverklaring wordt zelfs uitgesproken indien deze goederen niet de eigendom zijn van de veroordeelde, indien de beklaagde of de beschuldigde wordt vrijgesproken of overleden is, wanneer de dader onbekend is gebleven of indien de strafvordering vervallen of onontvankelijk is.

Wet van 29 februari 2024 tot invoering van boek I van het Strafwetboek, art. 37/1

De verjaring van de bijzondere verbeurdverklaringen, die in kracht van gewijsde zijn getreden voor de inwerkingtreding van deze wet en niet zijn verjaard voor die datum, blijft onderworpen aan de bepalingen van het Strafwetboek van 6 juni 1867, die van kracht waren voor de inwerkingtreding van deze wet.

Wijzigingen volgens Justel: (1) <Ingevoegd bij W 2026-03-30/02, art. 106, 005; Inwerkingtreding : 01-09-2026>

officiële tekst op Justel ↗

Strafwetboek van 1867

Oud art. 42

HOOFDSTUK II. STRAFFEN. · AFDELING VI. STRAFFEN AAN DE DRIE SOORTEN VAN MISDRIJVEN GEMEEN.

Bijzondere verbeurdverklaring wordt toegepast :

1° Op de zaken die het voorwerp van het misdrijf uitmaken, en op die welke gediend hebben of bestemd waren tot het plegen van het misdrijf, wanneer zij eigendom van de veroordeelde zijn;

2° Op de zaken die uit het misdrijf voortkomen.

(3° Op de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, op de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en op de inkomsten uit de belegde voordelen.)

Wijzigingen volgens Justel: <W 1990-07-17/30, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 25-08-1990>

Dit artikel op Justel ↗

Oud art. 43

HOOFDSTUK II. STRAFFEN. · AFDELING VI. STRAFFEN AAN DE DRIE SOORTEN VAN MISDRIJVEN GEMEEN.

Bij misdaad of wanbedrijf wordt bijzondere verbeurdverklaring (toepasselijk op de zaken bedoeld in artikel 42, 1° en 2°) altijd uitgesproken. De verbeurdverklaring van zaken die gediend hebben of bestemd waren tot het plegen van de misdaad of het wanbedrijf wordt uitgesproken, behoudens wanneer dit tot gevolg zou hebben dat de veroordeelde aan een onredelijk zware straf zou worden onderworpen.

Bij overtreding wordt zij slechts uitgesproken in de gevallen bij de wet bepaald.

Wijzigingen volgens Justel: (1) <W 2018-03-18/14, art. 19, 129; Inwerkingtreding : 12-05-2018> <W 1990-07-17/30, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 25-08-1990>

Dit artikel op Justel ↗

Oud art. 43bis

HOOFDSTUK II. STRAFFEN. · AFDELING VI. STRAFFEN AAN DE DRIE SOORTEN VAN MISDRIJVEN GEMEEN.

(Bijzondere verbeurdverklaring toepasselijk op de zaken bedoeld in artikel 42, 3°, kan door de rechter in elk geval worden uitgesproken, maar slechts voorzover zij door de procureur des Konings schriftelijk wordt gevorderd.)

Indien de zaken bedoeld in het eerste lid en de zaken die gediend hebben of bestemd waren om het misdrijf te plegen niet kunnen worden gevonden in het vermogen van de veroordeelde, raamt de rechter de geldwaarde ervan en heeft de verbeurdverklaring betrekking op een daarmee overeenstemmend bedrag.

Ingeval de verbeurdverklaarde zaken aan de burgerlijke partij toebehoren, zullen zij aan haar worden teruggegeven. De verbeurdverklaarde zaken zullen haar eveneens worden toegewezen ingeval de rechter de verbeurdverklaring uitgesproken heeft omwille van het feit dat zij goederen en waarden vormen die door de veroordeelde in de plaats gesteld zijn van de zaken die toebehoren aan de burgerlijke partij of omdat zij het equivalent vormen van zulke zaken in de zin van het tweede lid van dit artikel.

Iedere andere derde die beweert recht te hebben op de verbeurdverklaarde zaak, zal dit recht kunnen laten gelden binnen een termijn en volgens modaliteiten bepaald door de Koning.

De bijzondere verbeurdverklaring van de onroerende goederen moet of kan, naargelang de rechtsgrond die dit bepaalt, door de rechter worden uitgesproken, maar slechts voor zover zij door het openbaar ministerie schriftelijk werd gevorderd.

De schriftelijke vordering van het openbaar ministerie strekkende tot de verbeurdverklaring van een onroerend goed, dat niet strafrechtelijk in beslag is genomen overeenkomstig de toepasselijke vormvoorschriften, wordt op straffe van onontvankelijkheid kosteloos ingeschreven op de kant van de laatst overgeschreven akte of het vonnis bedoeld in artikel 3.30, § 1, van het Burgerlijk Wetboek. Het openbaar ministerie voegt een bewijs van de kantmelding bij het strafdossier voor de sluiting van de debatten. Het openbaar ministerie vordert de kosteloze doorhaling van de kantmelding, als daartoe grond bestaat.

De rechter vermindert zo nodig het bedrag van de in artikel 42, 3°, bedoelde vermogensvoordelen of van de in het tweede lid bedoelde geldwaarde om de veroordeelde geen onredelijk zware straf op te leggen.

Wijzigingen volgens Justel: (1) <W 2013-11-27/05, art. 2, 099; Inwerkingtreding : 01-03-2014> (2) <W 2014-02-11/12, art. 55, 100; Inwerkingtreding : 18-04-2014> (3) <W 2018-03-18/14, art. 20, 129; Inwerkingtreding : 12-05-2018> (4) <W 2020-02-04/16, art. 15, 145; Inwerkingtreding : 01-09-2021> <Ingevoegd bij W 1990-07-17/30, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 25-08-1990> <W 2002-12-19/86, art. 2, 039; Inwerkingtreding : 24-02-2003>

Dit artikel op Justel ↗

Oud art. 43ter

HOOFDSTUK II. STRAFFEN. · AFDELING VI. STRAFFEN AAN DE DRIE SOORTEN VAN MISDRIJVEN GEMEEN.

De bijzondere verbeurdverklaring die van toepassing is op de zaken bedoeld (in de artikelen 42, 43bis en 43quater), kan eveneens worden uitgesproken wanneer die zaken zich buiten het grondgebied van de Belgische Staat bevinden.

Wijzigingen volgens Justel: <Ingevoegd bij W 1997-05-20/50, art. 12, Inwerkingtreding : 13-07-1997> <W 2002-12-19/86, art. 3, 039; Inwerkingtreding : 24-02-2003>

Dit artikel op Justel ↗

Oud art. 43quater

HOOFDSTUK II. STRAFFEN. · AFDELING VI. STRAFFEN AAN DE DRIE SOORTEN VAN MISDRIJVEN GEMEEN.

§ 1. Onverminderd artikel 43bis, derde en vierde lid, kunnen op vordering van de procureur des Konings de in paragraaf 2 bedoelde vermogensvoordelen, de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld, en de inkomsten uit de belegde voordelen, die worden gevonden in het vermogen of in het bezit van een persoon worden verbeurdverklaard, of kan die persoon worden veroordeeld tot de betaling van een bedrag dat door de rechter wordt geraamd als zijnde overeenstemmend met de waarde van deze zaken indien de betrokkene schuldig werd bevonden :

1° ofwel aan een of meer misdrijven bedoeld :

a) in de artikelen 136sexies en 136septies, 1° ;

b) in artikel 137, voor zover deze misdrijven worden bestraft met een van de straffen bedoeld in artikel 138, § 1, 4° tot 10°, en van dien aard zijn dat zij financieel gewin kunnen opleveren, in artikel 140, voor zover deze misdaad of dit wanbedrijf van dien aard is dat het financieel gewin kan opleveren, in de artikelen 140bis tot 140sexies, voor zover deze misdrijven van die aard zijn dat zij financieel gewin kunnen opleveren, in artikel 140septies, voor zover dit misdrijf wordt bestraft met een van de straffen bedoeld in artikel 140septies, § 1, derde en vierde streepje, en van die aard is dat het financieel gewin kan opleveren, en in artikel 141;

c) in de artikelen 162, 163, 173, 180 en 186;

d) in de artikelen 246 tot 250;

e) in de artikelen 417/25 tot 417/36, 417/38, 433quater/1 en 433quater/4;

f) in de artikelen 433quinquies tot 433octies, 433undecies en 433duodecies;

g) in de artikelen 504bis en 504ter;

h) in artikel 505, met uitzondering van de zaken die gedekt zijn door artikel 42, 1° ;

i) in artikel 2bis, § 1, van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, voor zover de feiten betrekking hebben op de invoer, de uitvoer, de vervaardiging, de verkoop of het te koop stellen van de in dat artikel bedoelde middelen en stoffen, of in artikel 2bis, § 3, b), of § 4, b);

j) in artikel 2quater, 4°, van dezelfde wet;

k) in de artikelen 77bis tot 77quinquies van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;

l) in artikel 10, § 1, 2°, van de wet van 15 juli 1985 betreffende het gebruik bij dieren van stoffen met hormonale, anti-hormonale, beta-adrenergische of productie-stimulerende werking;

2° ofwel aan de misdrijven bedoeld in artikel 324ter;

3° ofwel aan een of meer van de hieronder bedoelde misdrijven wanneer die zijn gepleegd in het kader van een criminele organisatie zoals gedefinieerd in artikel 324bis :

a) in de artikelen 468, 469, 470, 471 of 472;

b) in artikel 475;

c) in artikel 477 tot 477sexies of artikel 488bis;

d) in artikel 8 van de wet van 5 augustus 1991 betreffende de in-, uit- en doorvoer van en de bestrijding van illegale handel in wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik of voor ordehandhaving dienstig materieel en daaraan verbonden technologie;

e) in de artikelen 1 en 8 van het koninklijk besluit van 12 april 1974 betreffende sommige verrichtingen in verband met stoffen met hormonale, anti-hormonale, anabole, beta-adrenergische, anti-infectieuze, anti-parasitaire, en anti-inflammatoire werking, voor de misdrijven waarop overeenkomstig de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van gifstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, straffen worden gesteld;

4° ofwel aan meerdere strafbare feiten die gezamenlijk worden vervolgd, en waarvan de ernst, de finaliteit en de onderlinge afstemming, de rechtbank toelaat zeker en noodzakelijk te besluiten dat deze feiten werden gepleegd in het kader van ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerd.

§ 2. De verbeurdverklaring zoals bedoeld in § 1 kan worden uitgesproken tegen de daders, mededaders en medeplichtigen die werden veroordeeld wegens één of meerdere van de in dit artikel opgesomde misdrijven en onder de in § 1 bepaalde voorwaarden, wanneer de veroordeelde over een relevante periode verdere vermogensvoordelen heeft ontvangen terwijl er ernstige en concrete aanwijzingen zijn dat deze voordelen voortspruiten, uit het misdrijf waarvoor hij werd veroordeeld, of uit misdrijven die, rechtstreeks of onrechtstreeks, aanleiding kunnen geven tot een economisch voordeel voor zover zij voorkomen in dezelfde rubriek, bepaald in paragraaf 1, als het misdrijf waarvoor de betrokkene is veroordeeld en de veroordeelde het tegendeel niet geloofwaardig maakt.

Dit tegendeel kan tevens geloofwaardig gemaakt worden door elke derde die beweert recht te hebben op deze voordelen.

§ 3. Als relevante periode in de zin van dit artikel wordt aanzien de periode van vijf jaar voorafgaand aan de inverdenkingstelling van de persoon tot de datum van de uitspraak.

De ernstige en concrete aanwijzingen bedoeld in § 2 kunnen worden geput uit alle geloofwaardige elementen die op regelmatige wijze aan de rechtbank worden overlegd, en die wijzen op een onevenwicht van enig belang tussen enerzijds de tijdelijke of blijvende aangroei van het vermogen en de bestedingen van de veroordeelde in de relevante periode die door het openbaar ministerie wordt aangetoond, en anderzijds de tijdelijke of blijvende aangroei van het vermogen en de bestedingen van de veroordeelde in deze periode, waarvan hij kan geloofwaardig maken dat ze niet voortspruiten uit de feiten waarvoor hij werd veroordeeld of uit misdrijven die, rechtstreeks of onrechtstreeks, aanleiding kunnen geven tot een economisch voordeel voor zover zij voorkomen in dezelfde rubriek, bepaald in § 1, als het misdrijf waarvoor de betrokkene is veroordeeld.

...

Wanneer de rechtbank de bijzondere verbeurdverklaring in de zin van dit artikel oplegt, kan zijn beslissen geen rekening te houden met een door haar te bepalen deel van de relevante periode of met door haar te bepalen inkomsten, goederen en waarden, indien zij zulks gepast acht om de veroordeelde niet te onderwerpen aan een onredelijk zware straf.

§ 4. Het vermogen dat ter beschikking staat van een criminele organisatie moet verbeurd verklaard worden, onder voorbehoud van de rechten van derden te goeder trouw.

Wijzigingen volgens Justel: (1) <W 2013-07-15/02, art. 14, 094; Inwerkingtreding : 29-07-2013> (2) <W 2018-03-18/14, art. 21, 129; Inwerkingtreding : 12-05-2018> (3) <W 2019-05-05/10, art. 69, 137; Inwerkingtreding : 03-06-2019> (4) <W 2022-03-21/01, art. 89, 148; Inwerkingtreding : 01-06-2022> <ingevoegd bij W 2002-12-19/86, art. 4; Inwerkingtreding : 24-02-2003>

Dit artikel op Justel ↗

Goed om te weten

Oude tekst volgens Justel, bijgewerkt tot 10 maart 2026. Voor feiten van vóór een latere wijziging van een oud artikel kan een eerdere versie gelden; die staan op Justel bij de vroegere versies.

Geldboeten in de oude tekst zijn basisbedragen; daarop komen de opdeciemen die golden op het ogenblik van de feiten.

De wettelijke omzettingstabel van oude straffen naar strafniveaus (art. 78 van boek I) staat op de mappingpagina →

Bij elk artikel van het nieuwe wetboek met een gekoppeld oud artikel staat onder de tekst een link naar het overgangsblad: nieuwe en oude tekst voluit, om af te drukken.

De rechter beslist welke wet voor de dader het gunstigst is. Deze pagina toont alleen de teksten en spreekt daar geen oordeel over uit.

Tekst volgens Justel, bijgewerkt tot 2 april 2026, op 12 oktober 2026 vergeleken met de bron.