Strafwetboek 2026
Boek I
Hoofdstuk 1. Strafwet

Art. 2. Toepassing van de strafwet in de tijd

Niemand kan worden bestraft voor een handelen of nalaten dat niet bij wet strafbaar was ten tijde van dat handelen of nalaten.

Evenmin kan een zwaardere hoofd- of bijkomende straf worden opgelegd dan die waarin ten tijde van het plegen van het misdrijf bij wet was voorzien.

In geval van wijziging van de strafwet na het plegen van het misdrijf gelden de voor de dader meest gunstige bepalingen.

In het Strafwetboek van 1867

Oud art. 2 zeker · 90%
Het legaliteitsbeginsel inzake straf en de regel van de gunstigste wet (lex mitior) keren nagenoeg woordelijk terug in artikel 2 van het nieuwe boek I.

Geen misdrijf kan worden gestraft met straffen die bij de wet niet waren gesteld voordat het misdrijf werd gepleegd.

Indien de straf, ten tijde van het vonnis bepaald, verschilt van die welke ten tijde van het misdrijf was bepaald, wordt de minst zware straf toegepast.

Over deze mapping en de omzetting van straffen →

Aangehaald in
Art. 94 (boek II), Art. 353 (boek II), Art. 371 (boek II), Art. 419 (boek II)
Justel-stand
2026-04-02 · officiële tekst op Justel
Inwerkingtreding
1 september 2026
Id
boek1-art-2

Fout gezien in dit artikel? Meld het.

Art. 1Art. 3