Strafwetboek 2026
Boek I
Hoofdstuk 4. StraffenAfdeling 8. Vermogensstraffen

Art. 52. Geldboete

§ 1. De geldboete kan worden opgelegd, hetzij als hoofdstraf, hetzij als bijkomende straf.

In geval van veroordeling tot een straf van niveau 2 tot en met 8 kan de rechter de volgende geldboete als bijkomende straf uitspreken:

1° indien de hoofdstraf een straf van niveau 8 is, een geldboete van 200 euro tot ten hoogste 35.000 euro;

2° indien de hoofdstraf een straf van niveau 7 is, een geldboete van 200 euro tot ten hoogste 30.000 euro;

3° indien de hoofdstraf een straf van niveau 6 is, een geldboete van 200 euro tot ten hoogste 25.000 euro;

4° indien de hoofdstraf een straf van niveau 5 is, een geldboete van 200 euro tot ten hoogste 20.000 euro;

5° indien de hoofdstraf een straf van niveau 4 is, een geldboete van 200 euro tot ten hoogste 15.000 euro;

6° indien de hoofdstraf een straf van niveau 3 is, een geldboete van 200 euro tot ten hoogste 10.000 euro;

7° indien de hoofdstraf een straf van niveau 2 is, een geldboete van 200 euro tot ten hoogste 5.000 euro.

§ 2. Indien hij veroordeelt tot een geldboete, houdt de rechter bij het bepalen van het bedrag ervan rekening met de elementen die door de beklaagde of de beschuldigde worden ingeroepen met betrekking tot zijn financiële draagkracht en sociale toestand.

De rechter kan een geldboete uitspreken beneden het wettelijk minimum indien de beklaagde of de beschuldigde om het even welk element voorlegt dat zijn precaire financiële situatie bewijst.

De rechter kan beslissen dat de geldboete in schijven zal worden betaald wanneer de omstandigheden van de zaak dit rechtvaardigen.

In het Strafwetboek van 1867

Oud art. 38 waarschijnlijk · 75%
De minimum- en maximumbedragen van de geldboete en de inning ten bate van de Staat staan nu in artikel 52 over de geldboete zelf, met vaste vorken per strafniveau. De oude driedeling misdaad, wanbedrijf en overtreding verdwijnt daarbij.

De geldboete wegens overtreding bedraagt ten minste een euro en ten hoogste vijfentwintig euro, behoudens de bij de wet uitgezonderde gevallen.

De geldboete wegens misdaad of wanbedrijf bedraagt ten minste zesentwintig euro.

De geldboeten worden geïnd ten bate van de Staat.

Oud art. 40 waarschijnlijk · 65%
De vervangende gevangenisstraf bij niet-betaling van de geldboete is mee opgenomen in artikel 52, dat de geldboete integraal regelt. De aparte maxima per soort misdrijf verdwijnen met de afschaffing van de driedeling.

Bij gebreke van betaling binnen twee maanden te rekenen van het arrest of van het vonnis, indien het op tegenspraak, of te rekenen van de betekening, indien het bij verstek is gewezen, kan de geldboete worden vervangen door gevangenisstraf, waarvan de duur bij het vonnis of het arrest van veroordeling wordt bepaald en die zes maanden niet zal te boven gaan voor hen die wegens misdaad, drie maanden voor hen die wegens wanbedrijf, en drie dagen voor hen die wegens overtreding zijn veroordeeld.

Veroordeelden die aan vervangende gevangenisstraf zijn onderworpen, kunnen in de inrichting worden gehouden waar zij de hoofdstraf hebben ondergaan.

Indien alleen geldboete is uitgesproken, wordt de gevangenisstraf, te ondergaan bij gebreke van betaling, gelijkgesteld met correctionele gevangenisstraf of met politiegevangenisstraf, al naar de aard van de veroordeling.

Oud art. 41bis waarschijnlijk · 60%
De omrekeningstabel die de geldboete voor rechtspersonen afleidde uit de vrijheidsstraf voor natuurlijke personen is vervangen door de eigen hoofdstraffen voor rechtspersonen in artikel 38, met bedragen die rechtstreeks uit het strafniveau volgen. Artikel 52 bevat de algemene regeling van de geldboete.

§ 1. De geldboeten toepasselijk op misdrijven gepleegd door rechtspersonen, zijn :

in criminele en correctionele zaken :

- wanneer de wet op het feit levenslange vrijheidsstraf stelt : geldboete van tweehonderdveertig duizend euro tot zevenhonderdtwintigduizend euro;

- wanneer de wet op het feit vrijheidsstraf en geldboete stelt, of een van de straffen alleen : geldboete van minimum vijfhonderd euro vermenigvuldigd met het getal van de maanden van de minimumvrijheidsstraf, doch niet lager dan de minimumgeldboete op het feit gesteld; met als maximum tweeduizend euro vermenigvuldigd met het getal van de maanden van de maximumvrijheidsstraf, doch niet lager dan het dubbele van de maximumgeldboete op het feit gesteld;

- wanneer de wet op het feit enkel geldboete stelt : geldboete met minimum en maximum als door de wet op het feit gesteld;

in politiezaken :

- geldboete van vijfentwintig euro tot tweehonderdvijftig euro.

§ 2. Voor het bepalen van de straf bedoeld in § 1 zijn de bepalingen van Boek I van toepassing.

Oud art. 41 waarschijnlijk · 55%
De regel dat betaling van de geldboete bevrijdt van de vervangende gevangenisstraf hoort bij die vervangende straf en gaat dus op in artikel 52. Artikel 69 regelt enkel de volgorde van kwijting bij ontoereikend vermogen.

In alle gevallen kan de veroordeelde zich van die gevangenisstraf bevrijden door de geldboete te betalen; hij kan zich niet onttrekken aan het verhaal op zijn goederen door aan te bieden de gevangenisstraf te ondergaan.

Oud art. 39 waarschijnlijk · 50%
Dat de geldboete tegen ieder van de veroordeelden persoonlijk wordt uitgesproken volgt nu uit het beginsel van de individuele verantwoordelijkheid van artikel 16 en uit de regeling van de geldboete in artikel 52. Een afzonderlijke bepaling daarover is niet behouden.

Wanneer verscheidene personen wegens een zelfde misdrijf worden veroordeeld, wordt de geldboete uitgesproken tegen ieder van hen persoonlijk.

Oud art. 83 waarschijnlijk · 50%
Het absolute minimum van zesentwintig euro verdwijnt; vermindering verloopt voortaan via de verzachtende omstandigheden van artikel 30, die de straf naar een lager strafniveau brengen. De geldende boetevork volgt dan uit artikel 52.

De geldboete in criminele zaken kan worden verminderd zonder dat zij ooit lager mag zijn dan zesentwintig euro.

Oud art. 214 waarschijnlijk · 50%
De aanvullende geldboete voor valsheidsmisdrijven zonder eigen boete is overbodig geworden, omdat elk misdrijf nu een strafniveau draagt waaraan artikel 52 een vaste boetevork koppelt. Een suppletieve boetebepaling bij de valsheden bestaat dus niet meer.

In de gevallen, omschreven in de hoofdstukken I tot IV van deze titel en waarvoor geen geldboete in het bijzonder bepaald is, wordt een geldboete van zesentwintig euro tot tweeduizend euro uitgesproken.

Oud art. 84 te controleren · 45%
De facultatieve geldboete van zesentwintig tot duizend euro bij correctionalisering verdwijnt als aparte regel. Wie op grond van artikel 30 een straf van een lager niveau krijgt, valt gewoon onder de boetevork die artikel 52 aan dat niveau koppelt.

Schuldigen wier criminele straf tot gevangenisstraf wordt verminderd, kunnen worden veroordeeld tot geldboete van zesentwintig euro tot duizend euro.

...

(Lid 3 opgeheven)

Over deze mapping en de omzetting van straffen →

Aangehaald in
Art. 78, Art. 107/1 (boek II), Art. 258 (boek II), Art. 259 (boek II), Art. 260 (boek II), Art. 265 (boek II), Art. 273 (boek II), Art. 274 (boek II), Art. 288 (boek II), Art. 289 (boek II), Art. 290 (boek II), Art. 291 (boek II), Art. 502 (boek II), Art. 639 (boek II), Art. 655 (boek II), Art. 656 (boek II), Art. 685/2 (boek II), Art. 691 (boek II)
Justel-stand
2026-04-02 · officiële tekst op Justel
Inwerkingtreding
1 september 2026
Id
boek1-art-52

Fout gezien in dit artikel? Meld het.

Art. 51Art. 53