Art. 502. Witwassen niveau 3
Witwassen is het:
1° opzettelijk verwerven, om niet ontvangen, bewaren, beheren of bezitten van de uit een misdrijf verkregen vermogensvoordelen, van de in de plaats gestelde goederen of waarden of van de inkomsten uit die belegde voordelen terwijl de dader de herkomst van de zaken kende of moest kennen op het ogenblik van de aanvang van deze handelingen, of;
2° omzetten of overdragen van de zaken bedoeld in de bepaling onder 1°, met de bedoeling de illegale herkomst ervan te verbergen of te verdoezelen of een persoon betrokken bij het oorspronkelijk misdrijf te helpen ontkomen aan de rechtsgevolgen van zijn daden, terwijl de dader weet of moest weten dat deze uit een criminele activiteit zijn verkregen, of;
3° opzettelijk verhelen of verhullen van de aard, de oorsprong, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing of de eigendom van de zaken bedoeld in de bepaling onder 1°, terwijl de dader weet of moest weten dat deze uit een criminele activiteit zijn verkregen.
Witwassen bestaat, ook wanneer het misdrijf waaruit de vermogensvoordelen, de in de plaats gestelde goederen of waarden of de inkomsten uit die belegde voordelen voortkomen, in het buitenland is gepleegd en in België niet kan worden vervolgd.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
In afwijking op artikel 52, § 1, tweede lid, kan de rechter als bijkomende straf een geldboete uitspreken van 200 euro tot 2.000.000 euro of van een omvang die verhoogd kan worden tot het equivalente bedrag van de waarde van de witgewassen goederen.
In afwijking op artikel 53, § 2, eerste lid, 1°, worden de zaken die het voorwerp uitmaken van het witwassen verbeurd verklaard, ook al zijn zij geen eigendom van de veroordeelde, onverminderd de rechten die derden kunnen laten gelden op die zaken.
In het Strafwetboek van 1867
Oud art. 505 waarschijnlijk · 60%De witwasgedragingen (kopen/bezitten, omzetten, verhullen van herkomst) en de vrijstelling voor meldingsplichtige entiteiten zijn overgenomen in de artikelen 502 en 504; het eerste onderdeel van dit artikel, de gewone heling, wordt elders geregeld (art. 501) maar is hier niet als kandidaat aangeboden.
1° zij die weggenomen, verduisterde of door misdaad of wanbedrijf verkregen goederen of een gedeelte ervan helen;
2° (zij die zaken bedoeld in artikel 42, 3°, kopen, ruilen of om niet ontvangen, bezitten, bewaren of beheren, ofschoon zij op het ogenblik van de aanvang van deze handelingen, de oorsprong van die zaken kenden of moesten kennen;)
3° zij die de zaken, bedoeld in artikel 42, 3°, (omzetten of overdragen) met de bedoeling de illegale herkomst ervan te verbergen of te verdoezelen of een persoon die betrokken is bij een misdrijf waaruit deze zaken voortkomen, te helpen ontkomen aan de rechtsgevolgen van zijn daden;
4° (zij die de aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom van de in artikel 42, 3°, bedoelde zaken verhelen of verhullen, ofschoon zij op het ogenblik van de aanvang van deze handelingen de oorsprong van die zaken kenden of moesten kennen.)
(De in het eerste lid, 3° en 4°, genoemde misdrijven bestaan, indien de dader ervan ook dader, mededader van of medeplichtige is aan het misdrijf waaruit de zaken genoemd in artikel 42, 3°, voortkomen. De in het eerste lid, 1° en 2°, genoemde misdrijven bestaan, ook indien de dader ervan eveneens de dader, mededader van of medeplichtige is aan het misdrijf waaruit de zaken genoemd in artikel 42, 3°, voortkomen, wanneer dit misdrijf in het buitenland is gepleegd en in België niet kan worden vervolgd.)
De onderworpen entiteiten bedoeld in artikel 5, §§ 1 en 4 van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, alsmede hun bestuurders, aangestelden en lasthebbers, blijven vrij van straf voor de in het eerste lid, 2° en 4° bedoelde misdrijven, voor zover zij zich, ten aanzien van de betrokken feiten gepleegd in het raam van andere fiscale fraude dan ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerd, hebben geconformeerd aan de wetgeving en reglementering inzake de bestrijding van fiscale fraude waaronder deze die voortvloeien uit de wet van 18 september 2017.
De zaken bedoeld (in het eerste lid, 1°) van dit artikel maken het voorwerp uit van (het misdrijf dat gedekt is door deze bepaling), in de zin van artikel 42, 1°, en zij worden verbeurdverklaard, ook indien zij geen eigendom zijn van de veroordeelde, zonder dat (deze straf) nochtans de rechten van derden op de goederen die het voorwerp kunnen uitmaken van de verbeurd verklaring, schaadt.
(De in het eerste lid, 3° en 4°, bedoelde zaken zijn het voorwerp van de door deze bepalingen bedoelde misdrijven in de zin van artikel 42, 1°, en worden verbeurd verklaard ten aanzien van alle daders, mededaders of medeplichtigen van die misdrijven, ook al heeft de veroordeelde die zaken niet in eigendom. Die straf mag evenwel geen schade berokkenen aan de rechten die derden op de voor verbeurdverklaring vatbare goederen kunnen doen gelden. Zo die zaken niet in het vermogen van de veroordeelde kunnen worden aangetroffen, gaat de rechter over tot een raming van de geldwaarde ervan en heeft de verbeurdverklaring betrekking op een daarmee overeenstemmend geldbedrag. In dat geval kan de rechter dat bedrag evenwel verminderen teneinde de veroordeelde geen onredelijk zware straf op te leggen.
De in het eerste lid, 2°, bedoelde zaken zijn het voorwerp van het door deze bepaling bedoeld misdrijf in de zin van artikel 42, 1°, en worden verbeurd verklaard ten aanzien van alle daders, mededaders of medeplichtigen van die misdrijven, ook al heeft de veroordeelde die zaken niet in bezit. Daarbij mag die straf geen schade berokkenen aan de rechten die derden op de voor verbeurdverklaring vatbare goederen kunnen doen gelden. Zo die zaken niet in het vermogen van de veroordeelde kunnen worden aangetroffen, gaat de rechter over tot een raming van de geldwaarde ervan en heeft de verbeurdverklaring betrekking op een geldbedrag dat in verhouding staat tot de mate waarin de veroordeelde bij het misdrijf betrokken was.)
Poging tot een van de misdrijven bedoeld in 2°, 3° en 4° van dit artikel wordt bestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot vijftigduizend euro of met een van die straffen alleen.
De personen die krachtens deze bepalingen worden gestraft, kunnen bovendien veroordeeld worden tot ontzetting, overeenkomstig artikel 33.