Art. 48. Beroepsverbod
De rechter kan de veroordeelde verbieden zijn beroep uit te oefenen indien hij ernstig misbruik heeft gemaakt van zijn beroep om het misdrijf te plegen.
Het beroepsverbod bedraagt minstens een jaar en ten hoogste vijf jaar.
Het beroepsverbod gaat in vanaf de dag waarop de veroordeling in kracht van gewijsde is getreden. De termijn wordt evenwel verlengd met de tijd waarin de gevangenisstraf of de behandeling onder vrijheidsberoving wordt uitgevoerd, met uitzondering van de periode gedurende dewelke de straf wordt uitgevoerd onder de modaliteit van het elektronisch toezicht en de periodes van voorwaardelijke invrijheidsstelling, voorlopige invrijheidsstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering en de invrijheidsstelling onder toezicht.
Indien daartoe grond bestaat, kan de strafuitvoeringsrechtbank beslissen een in kracht van gewijsde getreden veroordeling tot het beroepsverbod te wijzigen door de duur van het verbod te verminderen, het verbod op te schorten of te beëindigen.
Wijzigingen volgens Justel
(1) <W 2026-03-16/08, art. 12, 005; Inwerkingtreding : 01-09-2026>