Art. 298. Specifieke verboden ...
§ 1. Onverminderd andere wettelijke bepalingen, kan de rechter in de in dit hoofdstuk omschreven gevallen de veroordeelde verbieden tijdelijk of levenslang, rechtstreeks of onrechtstreeks een rusthuis, een home, een bejaardenverblijf of elke andere structuur voor gemeenschappelijk verblijf van personen in een kwetsbare toestand uit te baten, of als vrijwilliger, contractueel of statutair personeelslid dan wel als lid van de bestuurs- en beheersorganen deel uit te maken van enige instelling of vereniging waarvan de hoofdactiviteit gericht is op personen in een kwetsbare toestand.
Onverminderd andere wettelijke bepalingen, kan de rechter in de in dit hoofdstuk omschreven gevallen wegens feiten gepleegd op een minderjarige of met zijn deelneming, het verbod uitspreken om, voor een termijn van een jaar tot twintig jaar:
1° in welke hoedanigheid ook deel te nemen aan onderwijs in een openbare of particuliere instelling die minderjarigen opvangt;
2° als vrijwilliger, als lid van het statutair of contractueel personeel of als lid van de organen van bestuur en beheer, deel uit te maken van elke rechtspersoon of feitelijke vereniging waarvan de activiteit in hoofdzaak op minderjarigen gericht is;
3° als vrijwilliger, als lid van het statutair of contractueel personeel of als lid van de organen van bestuur en beheer, van elke rechtspersoon of feitelijke vereniging, een activiteit toegewezen te krijgen die de veroordeelde in een vertrouwens- of een gezagsrelatie tegenover minderjarigen plaatst.
§ 2. Artikel 48, derde en vierde lid, is van toepassing op de in paragraaf 1 bedoelde verboden.
Wijzigingen volgens Justel
(1) <W 2026-03-16/08, art. 59, 005; Inwerkingtreding : 01-09-2026>