Strafwetboek 2026
Boek II
Titel 3. Misdrijven tegen de persoonHoofdstuk 7. Schendingen van de persoonlijke waardigheid en misbruik van de kwetsbare positie van het slachtofferAfdeling 2. Mensenhandel en mensensmokkel

Art. 263. Specifieke verboden en ontzettingen in geval van veroordeling wegens mensenhandel en mensensmokkel

§ 1. In geval van veroordeling wegens mensenhandel of mensensmokkel worden de schuldigen veroordeeld tot de ontzetting uit de rechten bedoeld in artikel 47, eerste lid.

§ 2. Onverminderd andere wettelijke bepalingen, kan de rechter in geval van veroordeling wegens mensenhandel, voor de veroordeelde het verbod uitspreken om gedurende een jaar tot twintig jaar een drankgelegenheid, een bureau voor arbeidsbemiddeling, een onderneming die vertoningen organiseert, een zaak voor verhuur of verkoop van visuele dragers, een hotel, een bureau voor verhuur van kamers of appartementen, een reisbureau, een huwelijksbureau, een adoptie-instelling, een instelling waaraan de bewaring van minderjarigen wordt toevertrouwd, een bedrijf dat instaat voor het vervoer van leerlingen en jeugdgroepen, een gelegenheid voor ontspanning of vakantie, of een inrichting die lichaamsverzorging of psychologische begeleiding aanbiedt, hetzij persoonlijk, hetzij door bemiddeling van een tussenpersoon, uit te baten of er, in welke hoedanigheid ook, werkzaam te zijn, of een beroepsactiviteit of sociale activiteit verbonden aan het plegen van het misdrijf uit te oefenen.

§ 3. Ook kan de rechter, onverminderd andere wettelijke bepalingen, in geval van veroordeling wegens mensenhandel, voor een termijn van een jaar tot twintig jaar, het verbod uitspreken om:

1° in welke hoedanigheid ook deel te nemen aan onderwijs in een openbare of particuliere instelling die minderjarigen opvangt;

2° als vrijwilliger, als lid van het statutair of contractueel personeel of als lid van de organen van bestuur en beheer, deel uit te maken van elke rechtspersoon of feitelijke vereniging waarvan de activiteit in hoofdzaak op minderjarigen is gericht;

3° als vrijwilliger, als lid van het statutair of contractueel personeel of als lid van de organen van bestuur en beheer, van elke rechtspersoon of feitelijke vereniging een activiteit toegewezen te krijgen die de veroordeelde in een vertrouwens- of een gezagsrelatie tegenover minderjarigen plaatst.

§ 4. Artikel 48, derde en vierde lid, is van toepassing op de in paragrafen 2 en 3 bedoelde verboden.

Wijzigingen volgens Justel

(1) <W 2026-03-16/08, art. 48, 005; Inwerkingtreding : 01-09-2026>

Verwijst naar
Art. 47 (boek I), Art. 48 (boek I)
Justel-stand
2026-04-02 · officiële tekst op Justel
Inwerkingtreding
1 september 2026
Id
boek2-art-263

Fout gezien in dit artikel? Meld het.

Art. 262Art. 263/1