Art. 625. Het verzuim om op te treden tegen een wederrechtelijke vrijheidsberoving niveau 3
Tekst volgens Justel, bijgewerkt tot 2 april 2026, op 12 oktober 2026 vergeleken met de bron.
Het verzuim om op te reden tegen een wederrechtelijke vrijheidsberoving is het opzettelijk nalaten of weigeren een wederrechtelijke vrijheidsberoving vast te stellen, aan te geven of te beëindigen door een persoon met een openbare functie.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Wat dit strafniveau inhoudt (art. 36 van boek I)
De straf van niveau 3 bestaat uit een gevangenisstraf van meer dan drie jaar tot ten hoogste vijf jaar of een behandeling onder vrijheidsberoving van meer dan twee jaar tot ten hoogste vier jaar. Bij aanneming van verzachtende omstandigheden wordt die straf vervangen door een van de straffen van niveau 2 of 1.
Bijkomende straffen, verzachtende omstandigheden, herhaling en samenloop: zie art. 37 tot 65 van boek I.
Oud Strafwetboek van 1867: art. 155 (koppeling zeker). Oude tekst: hetstrafwetboek.be/mapping
Oud Strafwetboek van 1867: art. 156 (koppeling zeker). Oude tekst: hetstrafwetboek.be/mapping
In het Strafwetboek van 1867
Oud art. 155 zeker · 85%Het nalaten of weigeren door een bevoegde ambtenaar om een wederrechtelijke vrijheidsberoving te doen ophouden, is overgenomen in artikel 625.
Openbare officieren of ambtenaren die met de administratieve of de gerechtelijke politie belast zijn en die, bevoegd zijnde om een te hunner kennis gebrachte wederrechtelijke vrijheidsberoving te doen ophouden, nalaten of weigeren zulks te doen, worden gestraft met gevangenisstraf van een maand tot een jaar.
Oud art. 156 zeker · 85%Het nalaten of weigeren door een niet-bevoegde ambtenaar om een wederrechtelijke vrijheidsberoving vast te stellen en aan te geven, is eveneens overgenomen in het algemene artikel 625.
Openbare officieren of ambtenaren die met de administratieve of de gerechtelijke politie belast zijn en die, niet bevoegd zijnde om een wederrechtelijke vrijheidsberoving te doen ophouden, nalaten of weigeren de te hunner kennis gebrachte wederrechtelijke vrijheidsberoving vast te stellen en bij de bevoegde overheid aan te geven, worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden.
Oud art. 157 waarschijnlijk · 50%De gedetailleerde plichten van gevangenisbestuurders en bewaarders gaan op in een ruim omschreven ambtsmisdrijf: het opzettelijk nalaten of weigeren een wederrechtelijke vrijheidsberoving vast te stellen, aan te geven of te beëindigen door een persoon met een openbare functie. Het oude artikel stelde gevangenisstraf van vijftien dagen tot twee jaar en geldboete; het nieuwe artikel stelt een straf van niveau 3. Het weigeren de registers te tonen kan daarnaast onder de subsidiaire willekeurbepaling vallen.
Met gevangenisstraf van vijftien dagen tot twee jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot tweehonderd euro worden gestraft :
De bestuurders, bevelhebbers, bewaarders en portiers van (gevangenissen) die een gevangene opnemen zonder wettige last of wettig bevel of zonder vonnis;
Die hem vasthouden of weigeren hem voor te brengen voor de officier van politie of voor de houder van diens bevelen, zonder te bewijzen dat de procureur des Konings of de rechter dit heeft verboden;
Die weigeren hun registers aan de officier van politie te vertonen.
Overgangsblad: nieuwe en oude tekst voluit, om af te drukken →
Niet-officiële tekst. Tekst volgens Justel, bijgewerkt tot 2 april 2026. De enige officiële versie is het Belgisch Staatsblad.