Art. 59. Sluiting van de inrichting
In de bij wet bepaalde gevallen kan de rechter de tijdelijke of definitieve gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van de inrichting van de veroordeelde, met uitzondering van de inrichtingen waar werkzaamheden worden verricht die behoren tot een opdracht van openbare dienstverlening. De sluiting van de inrichting houdt het verbod in hierin enige activiteit uit te oefenen die verband houdt met degene die geleid heeft tot het plegen van het misdrijf. De sluiting gaat in vanaf de dag waarop de veroordeling in kracht van gewijsde is getreden. Bij gebreke aan vrijwillige sluiting gebeurt deze op initiatief van het openbaar ministerie op kosten van de veroordeelde.
Wijzigingen volgens Justel
(1) <W 2026-03-16/08, art. 18, 005; Inwerkingtreding : 01-09-2026>
In het Strafwetboek van 1867
Oud art. 37 zeker · 80%Artikel 59 neemt de tijdelijke of definitieve sluiting van de inrichting over als bijkomende straf in de bij wet bepaalde gevallen. Nieuw is dat de sluiting niet meer alleen voor rechtspersonen geldt, dat inrichtingen met een opdracht van openbare dienstverlening zijn uitgesloten en dat de sluiting ingaat vanaf het in kracht van gewijsde treden.
Tijdelijke of definitieve sluiting van een of meer inrichtingen van de rechtspersoon kan door de rechter worden uitgesproken in de gevallen door de wet bepaald.