Strafwetboek 2026
Beveiligingsmaatregel
TITEL I. Algemene bepalingen

Art. 3

Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:

1° de directeur: de ambtenaar die belast is met het lokaal bestuur van een gevangenis of van een door de federale overheid georganiseerde inrichting of afdeling tot bescherming van de maatschappij of zijn afgevaardigde;

2° de verantwoordelijke voor de zorg: de persoon die binnen een inrichting als bedoeld in de bepaling onder 3°, verantwoordelijk is voor de zorg of zijn afgevaardigde;

3° de inrichting:

a) de door de federale overheid georganiseerde inrichting of afdeling tot bescherming van de maatschappij;

b) het door de federale overheid georganiseerd forensisch psychiatrisch centrum, aangewezen bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad op voorstel van de voor Justitie, Volksgezondheid en Sociale Zaken bevoegde ministers;

c) de door de bevoegde overheid erkende inrichting die is georganiseerd door een privé-instelling, door een gemeenschap of een gewest of door een lokale overheid, die in staat is de gepaste zorg te verstrekken en die een overeenkomst betreffende de plaatsing bedoeld in de bepaling onder 4° heeft afgesloten inzake de toepassing van deze wet;

4° overeenkomst betreffende de plaatsing: een overeenkomst die wordt afgesloten tussen één of meerdere inrichtingen bedoeld in de bepaling onder 3°, c), enerzijds, en de minister van Justitie en de minister bevoegd voor het beleid inzake de zorgverstrekking in deze inrichtingen, anderzijds, waarbij de volgende aspecten worden vastgelegd: het minimum aantal veroordeelden tot een beveiligingsmaatregel ter bescherming van de maatschappij dat de inrichting of inrichtingen onder de vorm van plaatsing willen opnemen, de profielen waarvoor een plaatsing kan gebeuren en de te volgen procedure om tot plaatsing over te gaan en, in voorkomend geval, de financiële tegemoetkoming door de Federale Staat voor kosten verbonden aan de veiligheid;

5° de kamer voor de bescherming van de maatschappij: de kamer van de strafuitvoeringsrechtbank die uitsluitend bevoegd is voor interneringszaken en voor de beveiligingsmaatregel ter bescherming van de maatschappij, behoudens de door de Koning bepaalde uitzonderingen;

6° de rechter voor de bescherming van de maatschappij: de voorzitter van de kamer voor de bescherming van de maatschappij;

7° openbaar ministerie: het openbaar ministerie bij de strafuitvoeringsrechtbank;

8° het slachtoffer: de volgende categorieën van personen die bij de toekenning van een uitvoeringsmodaliteit kunnen vragen om te worden geïnformeerd, te worden gehoord of voorwaarden in haar belang bij de toekenning van uitvoeringsmodaliteiten te laten opleggen in de door deze wet bepaalde gevallen, volgens de door de Koning bepaalde regels:

a) de natuurlijke persoon wiens burgerlijke vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;

b) de natuurlijke persoon voor wie een vonnis of een arrest bepaalt dat er ten aanzien van hem strafbare feiten zijn gepleegd, of zijn wettelijke vertegenwoordiger;

c) de natuurlijke persoon die zich omwille van een situatie van materiële onmogelijkheid of kwetsbaarheid geen burgerlijke partij heeft kunnen stellen;

d) de nabestaande van de persoon van wie het overlijden rechtstreeks is veroorzaakt door het strafbaar feit of de nabestaande van een overleden persoon die zich burgerlijke partij had gesteld. Onder nabestaande wordt verstaan de echtgenoot van de overleden persoon, de persoon die met hem samenleefde en met hem een duurzame affectieve relatie had, zijn bloedverwanten in opgaande of neerdalende lijn, zijn broers of zussen, alsook anderen die van hem afhankelijk waren;

e) de naaste van een niet-overleden slachtoffer die zich omwille van een situatie van materiële onmogelijkheid of kwetsbaarheid geen burgerlijke partij heeft kunnen stellen. Onder naaste wordt verstaan de echtgenoot van het niet-overleden slachtoffer, de persoon die met hem samenleeft en met hem een duurzame affectieve relatie heeft, zijn bloedverwanten in opgaande of neerdalende lijn, zijn broers of zussen, alsook anderen die van hem afhankelijk zijn.

Ten aanzien van de personen die onder de categorieën c), d) en e), vallen, oordeelt de rechter voor de bescherming van de maatschappij op hun verzoek, overeenkomstig de bepalingen van titel II, of ze een direct en legitiem belang hebben;

9° het beveiligd klinisch observatiecentrum: het observatiecentrum opgericht bij koninklijk besluit van 5 december 2019 tot oprichting van het beveiligd klinisch observatiecentrum;

10° de kabinetsbeslissing: een beslissing van de rechter voor de bescherming van de maatschappij, zonder oproeping noch verschijning van de partijen.

Aangehaald in
Art. 4, Art. 13, Art. 16, Art. 24, Art. 32, Art. 35
Justel-stand
2026-04-02 · officiële tekst op Justel
Inwerkingtreding
1 september 2026
Id
beveiligingsmaatregel-art-3

Fout gezien in dit artikel? Meld het.

Art. 2Art. 4