Art. 13
Indien de kamer voor de bescherming van de maatschappij de beveiligingsmaatregel ter bescherming van de maatschappij van de veroordeelde ten uitvoer legt, bepaalt zij in het vonnis eveneens in welke inrichting de veroordeelde moet worden geplaatst na het in kracht van gewijsde treden van het vonnis. Die inrichting wordt gekozen uit de inrichtingen bedoeld in artikel 3, a) en b).
Indien de kamer voor de bescherming van de maatschappij de beveiligingsmaatregel ter bescherming van de maatschappij ten uitvoer legt, bepaalt zij in haar vonnis wanneer de directeur, indien de veroordeelde geplaatst is in een inrichting als bedoeld in artikel 3, 3°, a), of de verantwoordelijke voor de zorg, indien de veroordeelde geplaatst is in een inrichting als bedoeld in artikel 3, 3°, b), het in artikel 17 bedoelde advies moet uitbrengen.
Deze termijn mag niet langer zijn dan een jaar te rekenen vanaf het in kracht van gewijsde treden van het vonnis.
Indien er geen advies werd uitgebracht binnen deze termijn, vat het openbaar ministerie onverwijld de kamer voor de bescherming van de maatschappij.
Het vonnis waarbij de beveiligingsmaatregel ter bescherming van de maatschappij wordt uitgesproken is uitvoerbaar, niettegenstaande hoger beroep.