Art. 509. Brandstichting met een integriteitsaantasting van de derde graad of de dood tot gevolg
Indien de brandstichting een integriteitsaantasting van de derde graad of de dood tot gevolg heeft zonder dat de dader het oogmerk had te doden, wordt de straf in de vorige artikelen vermeld met één niveau verhoogd zonder dat evenwel een zwaardere straf dan een straf van niveau 6 kan worden opgelegd.
In het Strafwetboek van 1867
Oud art. 518 waarschijnlijk · 70%De oude regeling combineerde het vermoeden van aanwezige personen, verwondingen en dodelijke afloop in één bepaling met verwijzing naar voorbedachte gewelddaden of levenslange opsluiting; dit is nu opgesplitst in art. 508 (vermoeden van aanwezigheid, niveau 5) en art. 509 (integriteitsaantasting derde graad of dood, verhoging met één niveau tot max. niveau 6).
Wanneer de brand verwondingen heeft veroorzaakt aan een of meer personen en de dader van het feit moest vermoeden dat zij zich in de in brand gestoken plaatsen bevonden op het ogenblik van de misdaad of van het wanbedrijf, wordt de schuldige veroordeeld alsof die verwondingen met voorbedachten rade waren toegebracht en wordt de door de wet hierop gestelde straf toegepast, indien deze zwaarder is dan de straf die wegens brandstichting op hem toepasselijk is.
In het tegenovergestelde geval wordt de laatstbedoelde straf tot twee jaar boven het maximum verhoogd, indien zij in opsluiting (van vijftien jaar tot twintig jaar of gedurende een kortere tijd) bestaat.
Indien het feit de dood ten gevolge heeft, wordt de (levenslange opsluiting) toegepast.
Oud art. 522 waarschijnlijk · 50%Deze verwijzingsbepaling, die de verzwaring bij dodelijke afloop uitbreidde tot de vernieling van bouwwerken, is opgegaan in artikel 513, dat de regeling van de brandstichting overneemt voor de vernieling door ontploffing of overstroming. Daardoor geldt ook de gevolgverzwaring van artikel 509 voor die vernielingen.
De bepaling van artikel 518 is toepasselijk op het geval in het vorige artikel omschreven.