Art. 508. Brandstichting indien de dader moest vermoeden dat zich aldaar op het ogenblik van de brand een of meer personen bevonden niveau 5
Tekst volgens Justel, bijgewerkt tot 2 april 2026, op 12 oktober 2026 vergeleken met de bron.
Brandstichting indien de dader moest vermoeden dat zich aldaar op het ogenblik van de brand een of meer personen bevonden, wordt bestraft met een straf van niveau 5.
Wat dit strafniveau inhoudt (art. 36 van boek I)
De straf van niveau 5 bestaat uit een gevangenisstraf van meer dan tien jaar tot ten hoogste vijftien jaar of een behandeling onder vrijheidsberoving van meer dan zes jaar tot ten hoogste elf jaar. Bij aanneming van verzachtende omstandigheden wordt die straf vervangen door een van de straffen van niveau 4, 3 of 2.
Bijkomende straffen, verzachtende omstandigheden, herhaling en samenloop: zie art. 37 tot 65 van boek I.
Oud Strafwetboek van 1867: art. 510 (koppeling zeker). Oude tekst: hetstrafwetboek.be/mapping
In het Strafwetboek van 1867
Oud art. 510 zeker · 90%Brandstichting van gebouwen en andere opgesomde constructies terwijl de dader moest vermoeden dat er personen aanwezig waren, is inhoudelijk overgenomen in art. 508. Het oude artikel stelde opsluiting van vijftien tot twintig jaar; art. 508 stelt een straf van niveau 5.
(Zie NOTA 1 onder TITEL) Met (opsluiting) van vijftien jaar tot twintig jaar worden gestraft zij die in brand steken : gebouwen, bruggen, dijken, straatwegen, spoorwegen, sluizen, magazijnen, werkplaatsen, loodsen, schepen, vaartuigen, rijtuigen, wagons, vliegtuigen of andere kunstwerken, bouwwerken of motorvoertuigen, indien de dader moest vermoeden dat zich aldaar op het ogenblik van de brand een of meer personen bevonden.
Oud art. 518 waarschijnlijk · 70%De oude regeling combineerde het vermoeden van aanwezige personen, verwondingen en dodelijke afloop in één bepaling met verwijzing naar voorbedachte gewelddaden of levenslange opsluiting; dit is nu opgesplitst in art. 508 (vermoeden van aanwezigheid, niveau 5) en art. 509 (integriteitsaantasting derde graad of dood, verhoging met één niveau tot max. niveau 6).
Wanneer de brand verwondingen heeft veroorzaakt aan een of meer personen en de dader van het feit moest vermoeden dat zij zich in de in brand gestoken plaatsen bevonden op het ogenblik van de misdaad of van het wanbedrijf, wordt de schuldige veroordeeld alsof die verwondingen met voorbedachten rade waren toegebracht en wordt de door de wet hierop gestelde straf toegepast, indien deze zwaarder is dan de straf die wegens brandstichting op hem toepasselijk is.
In het tegenovergestelde geval wordt de laatstbedoelde straf tot twee jaar boven het maximum verhoogd, indien zij in opsluiting (van vijftien jaar tot twintig jaar of gedurende een kortere tijd) bestaat.
Indien het feit de dood ten gevolge heeft, wordt de (levenslange opsluiting) toegepast.
Overgangsblad: nieuwe en oude tekst voluit, om af te drukken →
Niet-officiële tekst. Tekst volgens Justel, bijgewerkt tot 2 april 2026. De enige officiële versie is het Belgisch Staatsblad.