Art. 508. Brandstichting indien de dader moest vermoeden dat zich aldaar op het ogenblik van de brand een of meer personen bevonden niveau 5
Brandstichting indien de dader moest vermoeden dat zich aldaar op het ogenblik van de brand een of meer personen bevonden, wordt bestraft met een straf van niveau 5.
In het Strafwetboek van 1867
Oud art. 510 zeker · 90%Brandstichting van gebouwen en andere opgesomde constructies terwijl de dader moest vermoeden dat er personen aanwezig waren, is inhoudelijk overgenomen in art. 508; de strafmaat daalt evenwel van opsluiting van vijftien tot twintig jaar naar een straf van niveau 5.
(Zie NOTA 1 onder TITEL) Met (opsluiting) van vijftien jaar tot twintig jaar worden gestraft zij die in brand steken : gebouwen, bruggen, dijken, straatwegen, spoorwegen, sluizen, magazijnen, werkplaatsen, loodsen, schepen, vaartuigen, rijtuigen, wagons, vliegtuigen of andere kunstwerken, bouwwerken of motorvoertuigen, indien de dader moest vermoeden dat zich aldaar op het ogenblik van de brand een of meer personen bevonden.
Oud art. 518 waarschijnlijk · 70%De oude regeling combineerde het vermoeden van aanwezige personen, verwondingen en dodelijke afloop in één bepaling met verwijzing naar voorbedachte gewelddaden of levenslange opsluiting; dit is nu opgesplitst in art. 508 (vermoeden van aanwezigheid, niveau 5) en art. 509 (integriteitsaantasting derde graad of dood, verhoging met één niveau tot max. niveau 6).
Wanneer de brand verwondingen heeft veroorzaakt aan een of meer personen en de dader van het feit moest vermoeden dat zij zich in de in brand gestoken plaatsen bevonden op het ogenblik van de misdaad of van het wanbedrijf, wordt de schuldige veroordeeld alsof die verwondingen met voorbedachten rade waren toegebracht en wordt de door de wet hierop gestelde straf toegepast, indien deze zwaarder is dan de straf die wegens brandstichting op hem toepasselijk is.
In het tegenovergestelde geval wordt de laatstbedoelde straf tot twee jaar boven het maximum verhoogd, indien zij in opsluiting (van vijftien jaar tot twintig jaar of gedurende een kortere tijd) bestaat.
Indien het feit de dood ten gevolge heeft, wordt de (levenslange opsluiting) toegepast.