Strafwetboek 2026
Boek II
Titel 6. Misdrijven tegen het vermogenHoofdstuk 2. Misdrijven met betrekking tot de beschadiging en vernieling van goederenAfdeling 1. Misdrijven die een maatschappelijk gevaar doen ontstaan

Art. 505. Brandstichting niveau 2

Brandstichting is het opzettelijk stichten van brand op enig goed waardoor schade aan een ander wordt veroorzaakt of een maatschappelijk gevaar ontstaat.

Met brandstichting wordt gelijkgesteld het in brand steken van enig goed, zodanig geplaatst dat de brand zal overslaan op het goed dat men wil beschadigen.

Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.

In het Strafwetboek van 1867

Oud art. 516 zeker · 95%
Art. 505, tweede lid stelt uitdrukkelijk dat het in brand steken van een zaak zodanig geplaatst dat de brand zal overslaan op het te vernielen goed, met brandstichting wordt gelijkgesteld; dit is een letterlijke overname van de oude regel.

Hij die, met het oogmerk om een van de feiten te plegen, omschreven in de artikelen 510, 511 en 512, enige zaak in brand steekt, zodanig geplaatst dat de brand zal overslaan op de zaak die hij wil vernielen, wordt gestraft alsof hij rechtstreeks de laatstbedoelde zaak had in brand gestoken of gepoogd in brand te steken.

Oud art. 517 waarschijnlijk · 75%
Het beginsel dat overslaand vuur naar andermans goed wordt bestraft als brandstichting van dat goed, is uitdrukkelijk overgenomen in art. 505, tweede lid (gelijkstelling van overslaand vuur met brandstichting).

Wanneer de brand overslaat van de zaak die de schuldige wilde verbranden, op een andere zaak waarvan de vernieling strafbaar is met een zwaardere straf, wordt deze uitgesproken, indien de twee zaken zodanig geplaatst waren dat de brand noodzakelijk van de ene op de andere moest overslaan.

Oud art. 511 waarschijnlijk · 55%
De algemene definitie van brandstichting in art. 505 dekt het opzettelijk in brand steken van deze goederen, maar het oude, op het type eigendom gebaseerde onderscheid met de zwaardere straf (opsluiting tien tot vijftien jaar) is verlaten ten voordele van een op de gevolgen gebaseerde structuur (art. 506-509), die hier niet als kandidaat is aangeboden.

Met (opsluiting) van tien jaar tot vijftien jaar worden gestraft zij die in brand steken, hetzij de onroerende eigendommen in artikel 510 vermeld, hetzij schepen, vaartuigen en vliegtuigen, maar buiten de gevallen in dat artikel omschreven, hetzij wouden, bossen, schaarhout of vruchten te velde.

Indien de eigendommen echter uitsluitend toebehoren aan hen die ze hebben in brand gestoken, en de brand met kwaad of bedrieglijk opzet is gesticht, worden de schuldigen gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar en met geldboete van tweehonderd euro tot duizend euro.

Oud art. 512 waarschijnlijk · 55%
Het opzettelijk in brand steken van roerende goederen valt onder de algemene definitie van art. 505, maar het oude onderscheid met een lagere straf voor brandstichting van eigen goederen met bedrieglijk opzet is niet behouden.

Met gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar en met geldboete van honderd euro tot duizend euro worden gestraft zij die opzettelijk de roerende goederen die aan een ander toebehoren in brand steken, met uitzondering van schepen, vaartuigen en vliegtuigen, en op voorwaarde dat de daad aan anderen ernstig nadeel kan berokkenen.

Indien de roerende goederen uitsluitend toebehoren aan hen die ze hebben in brand gestoken en de brand met kwaad of bedrieglijk opzet is gesticht, zijn de straffen zes maanden tot drie jaar gevangenisstraf en geldboete van zesentwintig euro tot tweehonderd euro.

Over deze mapping en de omzetting van straffen →

Strafniveau
2 · gevangenisstraf tot 3 jaar alle misdrijven van dit niveau
Aangehaald in
Art. 371, Art. 513
Justel-stand
2026-04-02 · officiële tekst op Justel
Inwerkingtreding
1 september 2026
Id
boek2-art-505

Fout gezien in dit artikel? Meld het.

Art. 504Art. 506