Art. 490. Eenvoudige bankbreuk niveau 1
Eenvoudige bankbreuk is het door een onderneming bedoeld in artikel I.1, eerste lid, 1°, van het Wetboek van economisch recht of door een bestuurder , in rechte of in feite, van een vennootschap of van een rechtspersoon in staat van faillissement:
1° opzettelijk, ten behoeve van derden en zonder voldoende tegenprestatie, aangaan van al te aanzienlijke verbintenissen gelet op de financiële toestand van de onderneming;
2° opzettelijk, zonder wettelijk verhinderd te zijn, verzuimen de verplichtingen vastgelegd bij artikel XX.146 van het Wetboek van economisch recht na te leven;
3° doen van aankopen tot wederverkoop beneden de koers of toestemmen in leningen, effectencirculaties en andere al te kostelijke middelen om zich geld te verschaffen, met het oogmerk om de faillietverklaring uit te stellen;
4° opzettelijk verhullen van uitgaven of verliezen of geen verantwoording afleggen over het bestaan of over de aanwending van de activa of een deel ervan, zoals zij uit de boekhoudkundige stukken blijken op de datum van staking van betaling, en van alle goederen van welke aard ook, die zij naderhand zouden hebben verkregen;
5° betalen of bevoordelen van een schuldeiser ten nadele van de boedel met het oogmerk de faillietverklaring uit te stellen;
6° verzuimen om binnen de termijn gesteld bij artikel XX.102 van het Wetboek van economisch recht aangifte te doen van het faillissement, met het oogmerk de faillietverklaring uit te stellen;
7° opzettelijk verzuimen om, naar aanleiding van de aangifte van het faillissement, de inlichtingen vereist bij artikel XX.103 van hetzelfde Wetboek, te verstrekken;
8° opzettelijk verstrekken van onjuiste inlichtingen naar aanleiding van de aangifte van het faillissement of naderhand in antwoord op de vragen van de rechter-commissaris of van de curators.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
De poging tot het misdrijf bedoeld in dit artikel is niet strafbaar.
Wijzigingen volgens Justel
(1) <W 2026-03-16/08, art. 93, 005; Inwerkingtreding : 01-09-2026>
In het Strafwetboek van 1867
Oud art. 489 zeker · 85%De twee gedragingen van artikel 489 vormen nu de punten 1° en 2° van de ruimere eenvoudige bankbreuk van artikel 490, die ook de vroegere artikelen 489bis en 489ter opslorpt; de straf is een straf van niveau 1 in plaats van gevangenisstraf van een maand tot een jaar en geldboete tot honderdduizend euro.
(Zie NOTA 1 onder TITEL) Met gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met geldboete van honderd euro tot honderdduizend euro of met een van die straffen alleen worden gestraft de ondernemingen bedoeld in artikel I.1, eerste lid, 1° van het Wetboek van economisch recht, of de bestuurders, in rechte of in feite, van vennootschappen of rechtspersonen die zich in staat van faillissement bevinden, die :
1° zonder voldoende tegenprestatie, ten behoeve van derden met inachtneming van de financiële toestand van de onderneming te aanzienlijke verbintenissen hebben aangegaan
2° zonder wettig verhinderd te zijn, verzuimd hebben de verplichtingen gesteld bij artikel XX.146 van het Wetboek van economisch recht na te leven.
Oud art. 489bis waarschijnlijk · 75%Artikel 490 bundelt de gedragingen van eenvoudige bankbreuk uit verschillende oude artikelen en herneemt de aankopen beneden de koers, het verhullen van uitgaven of verliezen en het bevoordelen van een schuldeiser. De gevangenisstraf van een maand tot twee jaar met geldboete tot vijfhonderdduizend euro wordt een straf van niveau 1.
Met gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en met geldboete van honderd euro tot vijfhonderdduizend euro of met een van die straffen alleen worden gestraft de personen bedoeld in artikel 489 die :
1° met het oogmerk om de faillietverklaring uit te stellen, aankopen hebben gedaan tot wederverkoop beneden de koers of toegestemd hebben in leningen, effectencirculaties en andere al te kostelijke middelen om zich geld te verschaffen;
2° verdichte uitgaven of verliezen hebben opgegeven of geen verantwoording hebben verschaft van het bestaan of van de aanwending van de activa of een deel ervan, zoals zij uit de boekhoudkundige stukken blijken op de datum van staking van betaling, en van alle goederen van welke aard ook, die zij naderhand zouden hebben verkregen;
3° met het oogmerk om de faillietverklaring uit te stellen, een schuldeiser ten nadele van de boedel betaald of bevoordeeld hebben;
4° met hetzelfde oogmerk, verzuimd hebben binnen de bij artikel XX.102 van het Wetboek van economisch recht gestelde termijn aangifte te doen van het faillissement; wetens verzuimd hebben naar aanleiding van de aangifte van het faillissement de inlichtingen vereist bij artikel XX.103 van hetzelfde wetboek te verstrekken; wetens naar aanleiding van de aangifte van het faillissement of naderhand, op de vragen van de rechter-commissaris of van de curators, onjuiste inlichtingen hebben verstrekt.