Art. 491. Bedrieglijke bankbreuk niveau 3
Bedrieglijke bankbreuk is door een onderneming bedoeld in artikel I.1, eerste lid, 1°, van het Wetboek van economisch recht of door een bestuurder, in rechte of in feite, van een vennootschap of van een rechtspersoon in staat van faillissement, het, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden:
1° verduisteren of verbergen van een gedeelte van de activa;
2° geheel of gedeeltelijk doen verdwijnen van de boeken of bescheiden, bedoeld in hoofdstuk 2 van titel 3 van boek III van het Wetboek van economisch recht.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
In het Strafwetboek van 1867
Oud art. 489ter zeker · 90%Verduistering of verberging van activa en het doen verdwijnen van boekhoudkundige stukken door de gefailleerde vormen zowel oud als nieuw de kern van bedrieglijke bankbreuk; het nieuwe art. 491 hanteert straf van niveau 3 zonder de aparte, lagere pogingstraf die het oude artikel nog voorzag.
Met gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met geldboete van honderd euro tot vijfhonderdduizend euro worden gestraft de in artikel 489 bedoelde personen die met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden :
1° een gedeelte van de activa hebben verduisterd of verborgen;
2° de boeken of bescheiden bedoeld in boek III, hoofdstuk 2, van het Wetboek van economisch recht, geheel of gedeeltelijk hebben doen verdwijnen; poging tot die wanbedrijven wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot drie jaar en met geldboete van honderd euro tot vijfhonderdduizend euro.
Zij die zich aan die wanbedrijven of poging daartoe schuldig hebben gemaakt, kunnen bovendien worden veroordeeld tot ontzetting van rechten overeenkomstig artikel 33.