Strafwetboek 2026
Boek I
Hoofdstuk 6. Tenietgaan en verjaring van straffen en van burgerlijke veroordelingen

Art. 74. Verjaring van de straf

§ 1. Behalve straffen uitgesproken voor de misdaad van genocide, misdaden tegen de mensheid en oorlogsmisdaden, verjaren straffen van niveau 7 en 8 door verloop van twintig jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de veroordeling in kracht van gewijsde is getreden.

Behalve straffen uitgesproken voor de misdaad van genocide, misdaden tegen de mensheid en oorlogsmisdaden, verjaren straffen van niveau 6, 5 en 4 na verloop van tien jaar te rekenen vanaf de dag waarop de veroordeling in kracht van gewijsde is getreden en straffen van niveau 3, 2 en 1 verjaren na verloop van vijf jaar te rekenen vanaf de dag waarop de veroordeling in kracht van gewijsde is getreden. In geen geval is de verjaringstermijn korter dan de duur van de opgelegde straf.

De bijkomende straffen verjaren door verloop van de in de het eerste en tweede lid vastgestelde termijnen, naargelang het niveau van de hoofdstraf waarmee zij samen zijn uitgesproken.

De verjaring van de straf kan worden gestuit door elke daad die een begin van effectieve uitvoering van de straf is.

De verjaring van de straf wordt geschorst wanneer de wet dit bepaalt of wanneer er een wettelijk beletsel is dat de tenuitvoerlegging van de straf verhindert.

§ 2. De verjaring van de vermogensstraffen wordt eveneens gestuit door elke handeling gesteld door een bevoegde overheid met het oog op de uitvoering van deze straffen.

§ 3. De verjaring van de straffen uitgesproken met uitstel overeenkomstig artikel 65 begint te lopen op de hierna vermelde data:

1° wanneer het uitstel van rechtswege wordt herroepen krachtens artikel 65, § 4, eerste lid, begint de verjaring te lopen op hetzelfde tijdstip als die van de straffen uitgesproken voor het nieuwe misdrijf;

2° wanneer het uitstel wordt herroepen met toepassing van artikel 65, § 4, tweede, derde en vierde lid, begint de verjaring te lopen vanaf de datum van het herroepingsvonnis. In afwijking van de eerste zin en tot een datum te bepalen door de Koning, en uiterlijk tot 30 juni 2029, begint de verjaring te lopen vanaf de datum van het herroepingsarrest of vanaf de dag waarop het herroepingsvonnis niet langer met hoger beroep kan worden aangevochten.

Wijzigingen volgens Justel

(1) <W 2026-03-16/08, art. 23, 005; Inwerkingtreding : 01-09-2026>

(2) <W 2026-03-30/02, art. 105, 007; Inwerkingtreding : 01-09-2026>

In het Strafwetboek van 1867

Oud art. 91 zeker · 80%
Artikel 74 bundelt alle verjaringstermijnen en behoudt de termijn van twintig jaar voor de zwaarste straffen, nu uitgedrukt als straffen van niveau 7 en 8. De onverjaarbaarheid geldt nog steeds voor genocide, misdaden tegen de mensheid en oorlogsmisdaden, en de termijn loopt voortaan vanaf het in kracht van gewijsde treden in plaats van vanaf de dagtekening van de uitspraak.

(Behoudens straffen met betrekking tot misdrijven, zoals bepaald in de artikelen 136bis, 136ter en 136quater, verjaren criminele straffen) door verloop van twintig jaren, te rekenen van de dagtekening van de arresten of vonnissen waarbij zij zijn uitgesproken.

Oud art. 92 zeker · 80%
De getrapte verjaring van correctionele straffen is in artikel 74 omgezet naar strafniveaus: tien jaar voor straffen van niveau 4, 5 en 6 en vijf jaar voor straffen van niveau 1, 2 en 3. Nieuw is de regel dat de verjaringstermijn nooit korter is dan de duur van de opgelegde straf.

Behoudens straffen met betrekking tot misdrijven zoals bepaald in de artikelen 136bis, 136ter en 136quater, die onverjaarbaar zijn, verjaren correctionele straffen door verloop van vijf jaren, te rekenen van de dagtekening van het arrest of van het in laatste aanleg gewezen vonnis, of te rekenen van de dag waarop het in eerste aanleg gewezen vonnis niet meer kan worden bestreden bij wege van hoger beroep.

Indien de uitgesproken straf drie jaar te boven gaat, is de verjaringstermijn tien jaren.

Indien de uitgesproken gevangenisstraf twintig jaar te boven gaat, is de verjaringstermijn twintig jaren.

Oud art. 94 waarschijnlijk · 75%
Artikel 74, derde lid, vervangt de afzonderlijke termijnen voor geldboeten en bijzondere verbeurdverklaringen door één regel: bijkomende straffen verjaren volgens de termijn die hoort bij het niveau van de hoofdstraf waarmee zij zijn uitgesproken. De bijzondere tienjarige termijn voor verbeurdverklaringen wegens wanbedrijven keert niet terug.

De geldboeten verjaren door verloop van de in de vorige artikelen vastgestelde termijnen, naargelang zij zijn uitgesproken wegens misdaden, wanbedrijven of overtredingen.

De bijzondere verbeurdverklaringen verjaren door verloop van de in de vorige artikelen vastgesteld termijnen, naargelang zij zijn uitgesproken wegens overtredingen of misdaden.

De bijzondere verbeurdverklaringen die uitgesproken zijn wegens wanbedrijven verjaren door verloop van tien jaren, te rekenen vanaf de in artikel 92 vastgestelde tijdstippen.

Oud art. 93 waarschijnlijk · 70%
De eenjarige verjaring van politiestraffen verdwijnt samen met de categorie politiestraffen zelf. De lichtste straffen, nu die van niveau 1, verjaren onder artikel 74 pas na vijf jaar, wat een aanzienlijke verlenging is.

Politiestraffen verjaren door verloop van een jaar, te rekenen van de tijdstippen, in het vorige artikel vastgesteld.

Oud art. 96 waarschijnlijk · 70%
De stuiting door de aanhouding van de veroordeelde is vervangen door de ruimere formule van artikel 74, waar elke daad die een begin van effectieve uitvoering van de straf is de verjaring stuit. De aanhouding blijft daaronder vallen, maar is niet langer het enige stuitingsfeit.

De verjaring van de straf wordt door de aanhouding van de veroordeelde gestuit.

Oud art. 97 waarschijnlijk · 55%
De bijzondere schorsingsgronden voor de verjaring van de verbeurdverklaring zijn opgeslorpt door de algemene schorsingsregel van artikel 74, die geldt wanneer de wet dit bepaalt of wanneer een wettelijk beletsel de tenuitvoerlegging verhindert. De uitdrukkelijke opsomming van insolventieprocedure, genadeverzoek en aanzuiveringsregeling keert in de voorgelegde tekst niet terug.

§ 1. De verjaring van de verbeurdverklaring wordt geschorst wanneer de wet dit bepaalt of wanneer er een wettelijk beletsel bestaat dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van deze straf verhindert.

§ 2. De verjaring wordt in elk geval geschorst in de volgende gevallen :

1° zolang de veroordeelde het voorwerp uitmaakt van een wettelijke collectieve insolventieprocedure;

2° tijdens de behandeling van het door de veroordeelde of derden overeenkomstig de artikelen 110 en 111 van de Grondwet ingediende genadeverzoek betreffende de opgelopen verbeurdverklaring;

3° tijdens de looptijd van een aanzuiveringsregeling die de bevoegde ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën, die belast is met de invordering van de verbeurdverklaring, de geldboete of de gerechtskosten heeft toegestaan aan de veroordeelde.

Oud art. 98 waarschijnlijk · 55%
De gedetailleerde lijst van stuitingsgronden voor de verjaring van de verbeurdverklaring is vervangen door de algemene regel van artikel 74 dat elke daad die een begin van effectieve uitvoering van de straf is de verjaring stuit. De invorderingshandelingen van de fiscus en het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek worden niet langer afzonderlijk opgesomd.

§ 1. De verjaring van de verbeurdverklaring wordt gestuit door elke daad van tenuitvoerlegging uitgaande van de wettelijk bevoegde organen.

§ 2. De verjaring wordt in elk geval gestuit in de volgende gevallen :

1° elke gedeeltelijke betaling die door of voor de veroordeelde is gedaan aan de bevoegde ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën die belast is met de invordering van de verbeurdverklaring en die niet kadert in een door de ontvanger toegestane aanzuiveringsregeling;

2° elk betalingsverzoek of elke ingebrekestelling gericht aan de veroordeelde, bij een aangetekende zending of ge-rechtsdeurwaardersexploot, uitgaande van de bevoegde ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën die belast is met de invordering van de verbeurdverklaring;

3° elk beslag gelegd door of op verzoek van de bevoegde ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën die belast is met de invordering van de verbeurdverklaring,

4° de beslissing van de directeur van het Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring een onderzoek te voeren naar de solvabiliteit van de veroordeelde;

5° de beslissing van het openbaar ministerie om een in artikel 464/1 van het Wetboek van strafvordering bedoeld strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek te openen;

6° alle uitvoeringshandelingen die verricht worden in het raam van het in artikel 464/1 van het Wetboek van strafvordering bedoelde strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek

Oud art. 95 waarschijnlijk · 50%
De bijzondere regel voor de ontvluchte veroordeelde is opgegaan in de algemene stuitingsregel van artikel 74, waar elke daad die een begin van effectieve uitvoering van de straf uitmaakt de verjaring stuit en een nieuwe termijn doet lopen. De aanrekening van de reeds ondergane straftijd op de verjaringstermijn lijkt niet te zijn overgenomen, al is de tekst van artikel 74 hier afgekapt.

Indien de veroordeelde die zijn straf ondergaat, erin slaagt te ontvluchten, begint de verjaringstermijn te lopen van de dag van de ontvluchting.

Wanneer echter in dat geval een veroordeelde meer dan vijf jaar van zijn straf heeft ondergaan, indien het een tijdelijke criminele straf betreft, of meer dan twee jaar, indien het een correctionele straf betreft, wordt die meerdere tijd toegerekend op de duur van de verjaring.

Over deze mapping en de omzetting van straffen →

Verwijst naar
Art. 65
Justel-stand
2026-04-02 · officiële tekst op Justel
Inwerkingtreding
1 september 2026
Id
boek1-art-74

Fout gezien in dit artikel? Meld het.

Art. 73Art. 75