Art. 631. Onwettig vorderen of bevelen van de openbare macht niveau 2
§ 1. Het onwettig vorderen of bevelen van de openbare macht is het opzettelijk vorderen of bevelen door een persoon met een openbare functie van het optreden van de openbare macht, tegen de uitvoering van een wet of van een uitvoeringsbesluit, tegen de inning van een wettelijk ingevoerde belasting of tegen de uitvoering van een rechterlijke beschikking of bevel, of van enig ander bevel van de overheid.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
§ 2. Indien de bevelen of vorderingen de rechtstreekse oorzaak zijn van andere misdrijven, strafbaar met een straf van een zwaarder strafniveau dan het niveau bedoeld in paragraaf 1, wordt dat zwaarder strafniveau toegepast.
In het Strafwetboek van 1867
Oud art. 254 zeker · 90%Het onwettig vorderen of bevelen van optreden van de openbare macht tegen de uitvoering van wetten of rechterlijke beslissingen is nagenoeg identiek overgenomen, met straf niveau 2 in plaats van 1 tot 5 jaar gevangenisstraf.
Met gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar wordt gestraft ieder openbaar ambtenaar, ieder agent of aangestelde van de Regering, van welke staat of rang ook, die het optreden of het aanwenden van de openbare macht vordert of beveelt, doet vorderen of bevelen tegen de uitvoering van een wet of van een koninklijk besluit, tegen de inning van een wettelijk ingevoerde belasting, of tegen de uitvoering hetzij van een rechterlijke beschikking of van een rechterlijk bevel, hetzij van enig ander bevel uitgaande van de overheid.
De schuldige kan bovendien worden veroordeeld tot ontzetting van de rechten genoemd in de eerste drie nummers van artikel 31, eerste lid.
Oud art. 256 zeker · 85%De regel dat het zwaardere strafniveau van het veroorzaakte misdrijf wordt toegepast wanneer de onwettige vordering of het bevel de rechtstreekse oorzaak is van andere misdrijven, is letterlijk terug te vinden in §2 van beide kandidaatartikelen.
Indien de bevelen of vorderingen de rechtstreekse oorzaak zijn van andere misdaden, strafbaar met zwaardere straffen dan in de artikelen 254 en 255 bepaald, worden die zwaardere straffen toegepast op de ambtenaren, agenten of aangestelden die zich schuldig hebben gemaakt aan het geven van bedoelde bevelen of aan het doen van bedoelde vorderingen.
(In dat geval echter wordt de levenslange opsluiting vervangen door opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar.)