Strafwetboek 2026
Boek II
Titel 3. Misdrijven tegen de persoonHoofdstuk 8. Misdrijven met betrekking tot het in gevaar brengen van personenAfdeling 6. Het in gevaar brengen van minderjarigen of personen in een kwetsbare toestandOnderafdeling 3. Gebruik of lokken met het oog op het plegen van een misdrijf

Art. 341. Verzwarende factoren

Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan voor een misdrijf omschreven in deze onderafdeling neemt de rechter in overweging dat:

1° de minderjarige jonger is dan zestien jaar;

2° de dader gebruik maakt van de bijzonder kwetsbare positie waarin de minderjarige verkeert;

3° de dader de vader, de moeder of een andere bloedverwant in de opgaande lijn is van het slachtoffer, dan wel de partner is van het slachtoffer, het gezag over het slachtoffer heeft of er de bewaring van heeft;

4° een gewoonte wordt gemaakt van het gebruiken van een persoon met het oog op het plegen van een misdrijf.

In het Strafwetboek van 1867

Oud art. 433 zeker · 80%
Het gebruik van een minderjarige of kwetsbare persoon om een misdrijf te plegen en de bijkomende verzwarende factoren (leeftijd onder 16 jaar, misbruik kwetsbare positie, ouderlijk gezag, gewoonte) zijn opgesplitst over twee artikelen.

Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 433quinquies, wordt eenieder die een minderjarige of een persoon van wie de kwetsbare toestand ten gevolge van de leeftijd, zwangerschap, een ziekte dan wel een lichamelijk of geestelijk gebrek of onvolwaardigheid, duidelijk was of de dader bekend was, rechtstreeks of via een tussenpersoon, aantrekt of gebruikt om, op één van de in artikel 66 bepaalde wijzen, een misdaad of een wanbedrijf te plegen, gestraft met de straffen bepaald voor die misdaad of dat wanbedrijf, waarvan het minimum van de vrijheidsstraf verhoogd wordt met één maand ingeval het maximum van de bepaalde gevangenisstraf één jaar is, met twee maanden wanneer het maximum twee jaar is, met drie maanden wanneer het maximum drie jaar is, met vijf maanden wanneer het maximum vijf jaar is en met twee jaar in het geval van tijdelijke opsluiting, en waarvan, in voorkomend geval, het minimum van de geldboete verdubbeld wordt.

Het minimum van de in het eerste lid bepaalde straffen wordt nogmaals, en in dezelfde verhouding verhoogd ingeval :

1° de minderjarige jonger is dan zestien jaar, of

2° de persoon bedoeld in het eerste lid misbruik maakt van de bijzonder kwetsbare positie waarin de minderjarige verkeert, of

3° de persoon bedoeld in het eerste lid, de vader, de moeder of een andere bloedverwant in de opgaande lijn is, de adoptant, of enige andere persoon die gezag heeft over de minderjarige, of een persoon die hem onder zijn bewaring heeft, of

4° een gewoonte wordt gemaakt van het aantrekken of gebruiken van minderjarigen om een misdaad of een wanbedrijf te plegen.

Over deze mapping en de omzetting van straffen →

Justel-stand
2026-04-02 · officiële tekst op Justel
Inwerkingtreding
1 september 2026
Id
boek2-art-341

Fout gezien in dit artikel? Meld het.

Art. 340Art. 342