Strafwetboek 2026
Boek II
Titel 3. Misdrijven tegen de persoonHoofdstuk 5. Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheidAfdeling 4. Gemeenschappelijke bepalingen

Art. 229. Strafverminderende verschoningsgrond

De dader die het slachtoffer vrijwillig vrijlaat of terugbrengt onder het gezag dat over hem wordt uitgeoefend binnen de vijf dagen na aanvang van de vrijheidsberoving, ontvoering of gijzeling, wordt bestraft met een straf van het onmiddellijk lagere niveau . Deze strafvermindering is niet van toepassing indien de feiten een integriteitsaantasting van de derde graad of de dood tot gevolg hebben gehad. In geval van gijzeling geldt deze strafvermindering bovendien slechts voor zover niet aan het bevel of de voorwaarde werd voldaan en het slachtoffer niet aan foltering werd onderworpen.

In het Strafwetboek van 1867

Oud art. 347bis zeker · 85%
De gijzeling zelf, de verzwarende omstandigheden (kwetsbaar slachtoffer, foltering), het gevolg van de dood en de vrijwillige-vrijlatingsgrond zijn overgenomen in de artikelen 226-229, maar met een sterk verlaagd strafniveau (niveau 5-7 in plaats van opsluiting van 20 jaar tot levenslang).

§ 1. Gijzeling is de aanhouding, de gevangenhouding of de ontvoering van personen om deze borg te doen staan voor de voldoening aan een bevel of een voorwaarde, onder meer een misdaad of een wanbedrijf voor te bereiden of te vergemakkelijken, de vlucht, de ontvluchting van de daders van een misdaad of wanbedrijf of hun medeplichtigen in de hand te werken, hun vrijlating te verkrijgen of ze hun straf te doen ontgaan.

§ 2. Gijzeling wordt gestraft met opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar.

De straf is levenslange opsluiting indien de gijzelaar een minderjarige is of een persoon van wie de kwetsbare toestand ten gevolge van de leeftijd, zwangerschap, een ziekte dan wel een lichamelijk of geestelijk gebrek of onvolwaardigheid duidelijk was of de dader bekend was.

§ 3. Behalve in de in § 4 bedoelde gevallen is de straf opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar tot twintig jaar indien binnen vijf dagen na de aanhouding, de gevangenhouding of de ontvoering, de gijzelaar vrijwillig wordt vrijgelaten zonder dat aan het bevel of aan de voorwaarde is voldaan.

§ 4. De straf is levenslange opsluiting in de volgende gevallen :

1° indien de aanhouding, de gevangenhouding of de ontvoering van de gijzelaar, hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van meer dan vier maanden, hetzij het volledige verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij zware verminking, hetzij de dood ten gevolge heeft;

2° (indien de gijzelaars zijn onderworpen aan de handelingen bedoeld in artikel 417/2, eerste lid.)

Oud art. 430 zeker · 85%
De strafverminderingsgrond bij vrijwillige teruggave binnen vijf dagen is inhoudelijk overgenomen (bestraffing op het onmiddellijk lagere niveau in plaats van een vaste, verlaagde strafmaat).

In de gevallen bedoeld in de artikelen 428 en 429, met uitzondering van de gevallen bedoeld in artikel 428, §§ 4 en 5, is de straf gevangenisstraf van twee jaar tot vijf jaar en geldboete van tweehonderd euro tot vijfhonderd euro indien, binnen vijf dagen na de ontvoering, de ontvoerder of de persoon bedoeld in artikel 429 de ontvoerde minderjarige of de ontvoerde kwetsbare persoon vrijwillig heeft teruggegeven.

Over deze mapping en de omzetting van straffen →

Justel-stand
2026-04-02 · officiële tekst op Justel
Inwerkingtreding
1 september 2026
Id
boek2-art-229

Fout gezien in dit artikel? Meld het.

Art. 228Art. 230