Art. 227. Verzwaarde gijzeling niveau 6
De gijzeling wordt bestraft met een straf van niveau 6 indien:
1° het slachtoffer een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand is;
2° de feiten een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg hebben;
3° het slachtoffer werd onderworpen aan foltering.
In het Strafwetboek van 1867
Oud art. 347bis zeker · 85%De gijzeling zelf, de verzwarende omstandigheden (kwetsbaar slachtoffer, foltering), het gevolg van de dood en de vrijwillige-vrijlatingsgrond zijn overgenomen in de artikelen 226-229, maar met een sterk verlaagd strafniveau (niveau 5-7 in plaats van opsluiting van 20 jaar tot levenslang).
§ 1. Gijzeling is de aanhouding, de gevangenhouding of de ontvoering van personen om deze borg te doen staan voor de voldoening aan een bevel of een voorwaarde, onder meer een misdaad of een wanbedrijf voor te bereiden of te vergemakkelijken, de vlucht, de ontvluchting van de daders van een misdaad of wanbedrijf of hun medeplichtigen in de hand te werken, hun vrijlating te verkrijgen of ze hun straf te doen ontgaan.
§ 2. Gijzeling wordt gestraft met opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar.
De straf is levenslange opsluiting indien de gijzelaar een minderjarige is of een persoon van wie de kwetsbare toestand ten gevolge van de leeftijd, zwangerschap, een ziekte dan wel een lichamelijk of geestelijk gebrek of onvolwaardigheid duidelijk was of de dader bekend was.
§ 3. Behalve in de in § 4 bedoelde gevallen is de straf opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar tot twintig jaar indien binnen vijf dagen na de aanhouding, de gevangenhouding of de ontvoering, de gijzelaar vrijwillig wordt vrijgelaten zonder dat aan het bevel of aan de voorwaarde is voldaan.
§ 4. De straf is levenslange opsluiting in de volgende gevallen :
1° indien de aanhouding, de gevangenhouding of de ontvoering van de gijzelaar, hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van meer dan vier maanden, hetzij het volledige verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij zware verminking, hetzij de dood ten gevolge heeft;
2° (indien de gijzelaars zijn onderworpen aan de handelingen bedoeld in artikel 417/2, eerste lid.)