Strafwetboek 2026
Boek II
Titel 3. Misdrijven tegen de persoonHoofdstuk 3. Misdrijven tegen de seksuele integriteit, het seksueel zelfbeschikkingsrecht en de goede zedenAfdeling 1. Aantasting van de seksuele integriteit, voyeurisme, niet-consensuele verspreiding van seksueel getinte inhoud en verkrachtingOnderafdeling 4. Algemene bepaling

Art. 150/1. Bijkomende straf

Onverminderd de toepassing van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter de onwaardigheid om te erven uitspreken voor het misdrijf verkrachting en alle verzwaarde vormen van dit misdrijf, bedoeld in onderafdeling 3, behoudens de niet-consensuele seksuele handelingen met de dood tot gevolg.

Wijzigingen volgens Justel

(1) <Ingevoegd bij W 2026-03-16/08, art. 34, 005; Inwerkingtreding : 01-09-2026>

In het Strafwetboek van 1867

Oud art. 46 zeker · 80%
De onwaardigheid om te erven bij bepaalde misdrijven tegen het latere slachtoffer is als algemeen principe overgenomen in art. 72, waarbij de concrete lijst van misdrijven nu bij wet elders wordt bepaald. Oud art. 46 regelde de onwaardigheid voor zowel seksuele misdrijven als levensdelicten; het seksuele luik keert terug in art. 150/1.

Wanneer het hof of de rechtbank een persoon die in aanmerking zou kunnen komen om als wettelijke erfgenaam tot de nalatenschap van het slachtoffer te worden geroepen, schuldig bevindt aan een in de artikelen 417/11, 417/16 en 417/17, 398 tot 400, 402, 403, 405, 409, §§ 1 tot 3 en 5, en 422bis bedoeld misdrijf, kan het hof of de rechtbank ook de onwaardigheid om te erven uitspreken, waardoor de dader, de mededader of de medeplichtige van de nalatenschap van het slachtoffer wordt uitgesloten.

Over deze mapping en de omzetting van straffen →

Justel-stand
2026-04-02 · officiële tekst op Justel
Inwerkingtreding
1 september 2026
Id
boek2-art-150-1

Fout gezien in dit artikel? Meld het.

Art. 150Art. 151