Strafwetboek 2026
Boek II
Titel 3. Misdrijven tegen de persoonHoofdstuk 2. Foltering, onmenselijke behandeling en onterende behandelingAfdeling 1. Foltering

Art. 116. Foltering van een persoon met een maatschappelijke functie niveau 6

Foltering gepleegd op een persoon met een maatschappelijke functie wordt bestraft met een straf van niveau 6 indien het misdrijf is gepleegd naar aanleiding van de uitoefening van deze functie.

In het Strafwetboek van 1867

Oud art. 280 waarschijnlijk · 70%
De trapsgewijze strafverzwaringen voor doodslag, slagen, foltering en onmenselijke behandeling gepleegd op ambtsdragers zijn verdeeld over de misdrijven tegen de persoon, telkens in de variant gepleegd op een persoon met een maatschappelijke functie. De oude techniek van een lijst met per geval verhoogde straffen is daarmee verdwenen.

Indien de misdaad of het wanbedrijf is gepleegd op een ministerieel ambtenaar, een agent die drager is van het openbaar gezag of van de openbare macht of op enig ander persoon met een openbare hoedanigheid bekleed, in de uitvoering of in de uitoefening of naar aanleiding van de uitoefening van deze functie, zijn de straffen de volgende :

1° in de gevallen bedoeld in artikel 393, is de straf levenslange opsluiting;

1/1° in de gevallen bedoeld in artikel 398, eerste lid, zijn de straffen gevangenisstraf van een maand tot een jaar en geldboete van vijftig euro tot driehonderd euro;

2° in de gevallen bedoeld in artikel 398, tweede lid, zijn de straffen gevangenisstraf van twee maanden tot twee jaar en geldboete van vijftig euro tot driehonderd euro;

3° in de gevallen bedoeld in artikel 399, eerste lid, zijn de straffen gevangenisstraf van vier maanden tot vier jaar en geldboete van honderd euro tot vijfhonderd euro;

4° in de gevallen bedoeld in artikel 399, tweede lid, zijn de straffen gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar en geldboete van honderd euro tot vijfhonderd euro;

5° in de gevallen bedoeld in artikel 400, eerste lid, is de straf opsluiting van vijf jaar tot tien jaar;

6° in de gevallen bedoeld in artikel 400, tweede lid, is de straf opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar;

7° in de gevallen bedoeld in artikel 401, eerste lid, is de straf opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar;

8° in de gevallen bedoeld in artikel 401, tweede lid, is de straf opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar;

9° in de gevallen bedoeld in artikel 417/2, eerste lid, is de straf opsluiting van twintig tot dertig jaar;

10° in de gevallen bedoeld in artikel 417/3, eerste lid, is de straf opsluiting van vijftien tot twintig jaar.

Oud art. 417/2 waarschijnlijk · 55%
De gegradueerde folteringsmisdrijven wegens de kwetsbare toestand of minderjarigheid van het slachtoffer (artikel 115) en wegens de maatschappelijke functie van het slachtoffer (artikel 116) komen overeen met specifieke verzwaringen uit het oude artikel; de eenvoudige basisvorm van foltering zelf zit niet in de kandidatenlijst.

Hij die een persoon aan foltering onderwerpt, wordt gestraft met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar.

Het misdrijf bedoeld in het eerste lid wordt gestraft met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar in de volgende gevallen :

1° als het is gepleegd :

a) hetzij door een openbaar officier of ambtenaar, drager of agent van de openbare macht die handelt naar aanleiding van de uitoefening van zijn bediening;

b) hetzij op een persoon van wie de kwetsbare toestand ten gevolge van de leeftijd, zwangerschap, een ziekte dan wel een lichamelijk of geestelijk gebrek of onvolwaardigheid of ten gevolge van zijn precaire toestand duidelijk was of de dader bekend was;

c) hetzij op een minderjarige;

d) hetzij op een chauffeur, een begeleider, een controleur of een loketbediende van een uitbater van een netwerk voor openbaar vervoer, een personeelslid door de FOD Justitie tewerkgesteld in een penitentiaire inrichting of binnen het veiligheidskorps, een personeelslid aangesteld voor het onthaal bij de politiediensten, een postbode, een brandweerman, een lid van de civiele bescherming, een persoon die een gezondheidszorgberoep uitoefent zoals bedoeld in de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidsberoepen, een lid van het personeel aangesteld voor het onthaal in de spoeddiensten van de verzorgingsinstellingen, een maatschappelijk werker of een psycholoog van een openbare dienst, VDAB-, FOREM-, ACTIRIS- of ADG-bemiddelaar, een lid van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, een erkend journalist, een advocaat, een notaris, een gerechtsdeurwaarder, in de uitoefening of naar aanleiding van de uitoefening van deze functie;

2° of wanneer de handeling een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van meer dan vier maanden, hetzij het volledig verlies van een orgaan of van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking heeft veroorzaakt.

Het misdrijf bedoeld in het eerste lid wordt gestraft met opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar als :

1° als het is gepleegd op een minderjarige of op een persoon die uit hoofde van zijn lichaams- of geestestoestand niet bij machte is om in zijn onderhoud te voorzien, door de vader, de moeder of door andere bloedverwanten in de opgaande lijn, door enig andere persoon die gezag over hem heeft of die hem onder zijn bewaring heeft, of door iedere meerderjarige persoon die occasioneel of gewoonlijk met het slachtoffer samenleeft;

2° of als het de dood heeft veroorzaakt, en gepleegd is zonder het oogmerk om te doden.

Het bevel van een meerdere of van een gezag kan het misdrijf bedoeld in het eerste lid niet verantwoorden.

(De noodtoestand kan het misdrijf bedoeld in het eerste lid niet verantwoorden.)

Over deze mapping en de omzetting van straffen →

Strafniveau
6 · gevangenisstraf van 15 tot 20 jaar alle misdrijven van dit niveau
Justel-stand
2026-04-02 · officiële tekst op Justel
Inwerkingtreding
1 september 2026
Id
boek2-art-116

Fout gezien in dit artikel? Meld het.

Art. 115Art. 117