Art. 76. Gevolgen van de veroordelingen uitgesproken in een andere lidstaat van de Europese Unie
De veroordelingen uitgesproken door de strafgerechten van een andere lidstaat van de Europese Unie worden in aanmerking genomen onder dezelfde voorwaarden als de veroordelingen uitgesproken door de Belgische strafgerechten en hebben dezelfde rechtsgevolgen als deze veroordelingen. Indien de wet bepaalde vereisten stelt aan de door deze veroordeling opgelegde straf, wordt elke gelijkwaardige straf in aanmerking genomen.
In het Strafwetboek van 1867
Oud art. 99bis zeker · 90%Nagenoeg woordelijk overgenomen: veroordelingen van een andere EU-lidstaat worden op dezelfde voet in aanmerking genomen, met toevoeging dat elke gelijkwaardige straf meetelt.
De veroordelingen uitgesproken door de strafgerechten van een andere lidstaat van de Europese Unie worden in aanmerking genomen onder dezelfde voorwaarden als de veroordelingen uitgesproken door de Belgische strafgerechten en hebben dezelfde rechtsgevolgen als deze veroordelingen.
De in het eerste lid vermelde regel is niet van toepassing op het geval bedoeld in artikel 65, tweede lid.
Oud art. 57bis waarschijnlijk · 55%De verwijzing naar de meetelling van in een andere EU-lidstaat uitgesproken veroordelingen voor de herhaling correspondeert met art. 76, dat aan buitenlandse EU-veroordelingen dezelfde rechtsgevolgen toekent als Belgische veroordelingen.
De bepalingen betreffende de herhaling, bepaald in de artikelen 54 tot 56, worden toegepast in geval van een vroegere veroordeling die in aanmerking genomen wordt overeenkomstig artikel 99bis.
Oud art. 192ter waarschijnlijk · 55%De specifieke recidiveregeling bij eerdere veroordelingen in een andere EU-lidstaat voor valsheidsmisdrijven is vervangen door de algemene regel dat buitenlandse EU-veroordelingen op dezelfde wijze in aanmerking worden genomen als Belgische veroordelingen, zonder de oude misdrijfspecifieke verzwaring.
§ 1. Hij die, na tot een gevangenisstraf van meer dan vijf jaar te zijn veroordeeld door een rechtscollege van een lid-Staat van de Europese Unie wegens feiten bedoeld in de artikelen 160 tot 170, 173, 176 tot 178, 178quinquies tot 178nonies, 180 en 185 tot 187bis, één van deze feiten opnieuw pleegt, kan worden veroordeeld met opsluiting van tien tot vijftien jaar indien dit feit een misdaad is die strafbaar is met opsluiting van vijf tot tien jaar. Indien dit feit een misdaad is die strafbaar is met opsluiting van tien tot vijftien jaar, kan hij worden veroordeeld tot opsluiting van vijftien tot twintig jaar. Hij wordt veroordeeld tot een opsluiting van minstens zeventien jaar indien dit feit een misdaad is die strafbaar is met opsluiting van vijftien tot twintig jaar.
§ 2. Hij die, na tot een gevangenisstraf van meer dan vijf jaar te zijn veroordeeld door een rechtscollege van een lid-Staat van de Europese Unie wegens feiten bedoeld in de artikelen 160 tot 170, 173, 176 tot 178, 178quinquies tot 178nonies, 180 en 185 tot 187bis, één van deze feiten opnieuw pleegt, kan worden veroordeeld tot het dubbele van het maximum van de straf, bij de wet op dit feit gesteld, indien dit feit een wanbedrijf is.
§ 3. Hij die, na tot een gevangenisstraf van ten minste een jaar te zijn veroordeeld door een rechtscollege van een lid-Staat van de Europese Unie wegens feiten bedoeld in de artikelen 160 tot 170, 173, 176 tot 178, 178quinquies tot 178nonies, 180 en 185 tot 187bis, één van deze feiten opnieuw pleegt, kan worden veroordeeld tot het dubbele van het maximum van de straf, bij de wet op dit feit gesteld, indien dit feit een wanbedrijf is.