Strafwetboek 2026
Boek I
Hoofdstuk 2. MisdrijfAfdeling 1. Definitie van het misdrijf

Art. 7. Moreel bestanddeel

§ 1. Elk misdrijf vereist het bestaan van een moreel bestanddeel bij de dader. Dit moreel bestanddeel houdt voor alle misdrijven in, het in staat zijn bewust en uit vrije wil te handelen.

Het in staat zijn van de dader om bewust en uit vrije wil te handelen, wordt vermoed zolang dit het bestaan van een schuldontheffingsgrond, zoals bedoeld in artikel 21, niet aannemelijk maakt.

Naast de vereisten bedoeld in het eerste lid kan de wet voor een bepaald misdrijf volgende bijkomende vereisten stellen opdat aan het moreel bestanddeel zou zijn voldaan:

1° opzet, voor de opzettelijke misdrijven;

2° zware fout, voor de onopzettelijke misdrijven.

§ 2. Het opzet kan bestaan uit een algemeen opzet of een bijzonder opzet.

Het algemeen opzet bestaat uit het voornemen om met kennis van zaken het door de wet strafbaar gestelde gedrag aan te nemen. Er is sprake van het met kennis van zaken aannemen van het gedrag indien een persoon zich er bewust van is dat een omstandigheid bestaat of kan bestaan in de normale gang van zaken of dat een gevolg zich zal voordoen of zou kunnen voordoen binnen het normale verloop van de gebeurtenissen.

Het bijzonder opzet bestaat, naast de vereisten gesteld aan het algemeen opzet, uit het voornemen om het door de wet bepaalde resultaat te bereiken of uit een door de wet bepaalde bijzondere geestesgesteldheid bij de dader. Indien het bijzonder opzet bestaat uit het voornemen om een bepaald resultaat te bereiken, wordt dit resultaat geacht te zijn nagestreefd door de dader wanneer hij dit resultaat als doel van zijn gedrag had of wanneer hij dit heeft aanvaard als een gevolg dat zich zou voordoen binnen het normale verloop van de gebeurtenissen.

§ 3. De zware fout bestaat uit een ernstig gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid.

In het Strafwetboek van 1867

Oud art. 392 waarschijnlijk · 60%
De omschrijving van het opzet bij doden en verwonden gaat op in de algemene bepaling over het moreel bestanddeel in boek I, die ook de regel bevat dat een vergissing over de persoon van het slachtoffer het opzet niet uitsluit. Het luik over het toebrengen van letsel is verwerkt in de definitie van gewelddaden.

Opzettelijk worden genoemd het doden en het toebrengen van letsel met het oogmerk om een bepaald persoon of een persoon die zal worden aangetroffen of ontmoet, aan te randen, ook al was dit oogmerk afhankelijk van enige omstandigheid of van enige voorwaarde en zelfs al heeft de dader zich vergist omtrent de persoon die het slachtoffer van de aanranding is geworden.

Over deze mapping en de omzetting van straffen →

Verwijst naar
Art. 21
Justel-stand
2026-04-02 · officiële tekst op Justel
Inwerkingtreding
1 september 2026
Id
boek1-art-7

Fout gezien in dit artikel? Meld het.

Art. 6Art. 8