Strafwetboek 2026
Boek I
Hoofdstuk 4. StraffenAfdeling 9. Specifieke straffen toepasselijk op de rechtspersonen

Art. 56. Dienstverleningsstraf ten gunste van de gemeenschap

§ 1. Wanneer de rechter van oordeel is dat hij een straf van niveau 1 of 2 moet uitspreken, kan hij de rechtspersoon veroordelen tot een dienstverleningsstraf ten gunste van de gemeenschap als hoofdstraf.

De rechter kan een dienstverleningsstraf ten gunste van de gemeenschap slechts uitspreken indien de rechtspersoon, in persoon of via zijn advocaat, met kennis van zaken zijn instemming heeft gegeven.

§ 2. Het budget dat de veroordeelde rechtspersoon moet besteden aan de dienstverleningsstraf ten gunste van de gemeenschap van niveau 2 moet hoger zijn dan 20.000 euro en bedraagt ten hoogste 360.000 euro. In geval van veroordeling tot een dienstverleningsstraf ten gunste van de gemeenschap van niveau 1, mag dat budget niet lager zijn dan 200 euro en bedraagt het ten hoogste 20.000 euro.

De dienstverleningsstraf ten gunste van de gemeenschap mag uitsluitend worden verricht ten voordele van de openbare diensten van de Staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de gemeenten en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, dan wel ten gunste van verenigingen zonder winstoogmerk of stichtingen met een sociaal, wetenschappelijk of cultureel oogmerk.

De rechter bepaalt het budget dat de veroordeelde rechtspersoon moet besteden aan de dienstverleningsstraf ten gunste van de gemeenschap , geeft aanwijzingen betreffende de concrete inhoud en kan aanwijzingen geven betreffende de uitvoeringsmodaliteiten ervan.

De rechter legt, binnen de grenzen bepaald voor het misdrijf en door de wet, bij het uitspreken van een dienstverleningsstraf een vervangende geldboete op die kan worden toegepast indien de dienstverleningsstraf ten gunste van de gemeenschap niet wordt uitgevoerd.

§ 3. Op de tenuitvoerlegging van de dienstverleningsstraf ten gunste van de gemeenschap wordt toegezien door de strafuitvoeringsrechtbank.

In afwijking van het eerste lid en tot een datum te bepalen door de Koning, en uiterlijk tot 30 juni 2029, zien de strafuitvoeringsrechter en het openbaar ministerie toe op de tenuitvoerlegging van de dienstverleningsstraf ten gunste van de gemeenschap, overeenkomstig artikel 28 van de wet houdende een tijdelijk kader inzake de uitvoering van straffen.

§ 4. Wanneer de dienstverleningsstraf ten gunste van de gemeenschap geheel of gedeeltelijk niet wordt uitgevoerd, kan de strafuitvoeringsrechtbank, op vordering van het openbaar ministerie en na de veroordeelde gehoord te hebben, beslissen dat de vervangende geldboete of een deel ervan ten uitvoer zal worden gelegd, hierbij rekening houdende met het deel van de dienstverleningsstraf ten gunste van de gemeenschap dat de veroordeelde reeds heeft verricht.

In afwijking van het eerste lid en tot een datum te bepalen door de Koning, en uiterlijk tot 30 juni 2029, beslist de strafuitvoeringsrechter over de tenuitvoerlegging van de vervangende geldboete of een deel ervan wanneer de dienstverleningsstraf ten gunste van de gemeenschap geheel of gedeeltelijk niet wordt uitgevoerd, overeenkomstig artikel 31 van de wet houdende een tijdelijk kader inzake de uitvoering van de straffen.

Wijzigingen volgens Justel

(1) <W 2026-03-16/08, art. 17, 005; Inwerkingtreding : 01-09-2026>

(2) <W 2026-03-30/02, art. 103, 007; Inwerkingtreding : 01-09-2026>

Justel-stand
2026-04-02 · officiële tekst op Justel
Inwerkingtreding
1 september 2026
Id
boek1-art-56

Fout gezien in dit artikel? Meld het.

Art. 55Art. 57