Art. 603. Verbergen van vijandelijke agenten of soldaten niveau 5
Het verbergen van vijandelijke agenten of soldaten is het opzettelijk verbergen van vijandelijke agenten of soldaten of het helpen van deze personen om zich aan de overheid te onttrekken.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 5.
In het Strafwetboek van 1867
Oud art. 121 waarschijnlijk · 70%De verschillende gedragingen (verbergen van vijandelijke agenten/soldaten, van onderdanen van de vijand en van daders van misdrijven tegen de landsverdediging, telkens met verzwaring bij staat van beleg) zijn overgenomen; het verbergen van spionnen/verkenners, de oude zwaarste variant, is elders geregeld (art. 602) maar zit niet in deze kandidatenlijst.
Hij die verspieders of op verkenning uitgezonden vijandelijke soldaten, die hem als zodanig bekend zijn, verbergt of doet verbergen, wordt gestraft met levenslange opsluiting.
Hij die vijandelijke agenten of soldaten, weerbaar of gewond, verbergt of doet verbergen, of die hun te hulp komt om hen in de mogelijkheid te stellen zich aan de overheid te onttrekken, wordt gestraft met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar. Bij staat van beleg wordt het misdrijf gestraft met levenslange opsluiting.
Hij die een onderdaan van een vijandelijke of met de vijand verbonden mogendheid verbergt of doet verbergen, of die hem te hulp komt om hem in de mogelijkheid te stellen zich aan de overheid te onttrekken, wordt gestraft met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar. Bij staat van beleg wordt het misdrijf gestraft met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar.
Hij die personen verbergt of doet verbergen van wie hij weet dat zij vervolgd worden of veroordeeld zijn wegens een van de misdrijven bedoeld in Boek II, Titel I, Hoofdstuk II van het Strafwetboek en in de artikelen 17 en 18 van de wet van 27 mei 1870 houdende het Militair Strafwetboek, of die hun te hulp komt om hen in de mogelijkheid te stellen zich aan het gerecht te onttrekken, wordt gestraft met de op dat misdrijf gestelde straf, zonder dat evenwel de uitgesproken straf vijftien jaar opsluiting of hechtenis mag te boven gaan.
De bepaling van het vorige lid is niet van toepassing op bloedverwanten in opgaande of nederdalende lijn, echtgenoten, zelfs na echtscheiding, broers of zusters, noch op aanverwanten in dezelfde graden van de daders van of de medeplichtigen aan de bedoelde misdrijven.