Strafwetboek 2026
Boek II
Titel 3. Misdrijven tegen de persoonHoofdstuk 5. Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheidAfdeling 1. Vrijheidsberoving

Art. 219. Vrijheidsberoving niveau 3

De vrijheidsberoving is elke opzettelijk gestelde gedraging waardoor men een persoon wederrechtelijk zijn vrijheid van komen en gaan ontneemt of onthoudt door hem te overmeesteren, op te sluiten of enige andere hindernis op te werpen.

Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.

In het Strafwetboek van 1867

Oud art. 434 waarschijnlijk · 75%
De willekeurige aanhouding of gevangenhouding door bijzondere personen is opgegaan in het ruime basismisdrijf vrijheidsberoving, dat elke wederrechtelijke ontneming van de vrijheid van komen en gaan treft. De straf stijgt daarbij fors, van gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar naar een straf van niveau 3.

Met gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot tweehonderd euro worden gestraft zij die iemand aanhouden of doen aanhouden, gevangen houden, zonder een bevel van het gestelde gezag en buiten de gevallen waarbij de wet de aanhouding of de gevangenhouding van bijzondere personen toelaat of voorschrijft.

Oud art. 147 waarschijnlijk · 55%
De wederrechtelijke en willekeurige aanhouding of gevangenhouding door een persoon met een openbare functie valt nu onder de vrijheidsberoving van artikel 219, met de openbare hoedanigheid en de duur als verzwarende factoren volgens artikel 230. Artikel 625 straft enkel het verzuim om tegen zo'n vrijheidsberoving op te treden.

Ieder openbaar officier of ambtenaar, ieder drager of agent van het openbaar gezag of van de openbare macht, die wederrechtelijk en willekeurig een of meer personen aanhoudt of doet aanhouden, gevangen houdt of doet houden, wordt gestraft met gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar.

De gevangenisstraf is zes maanden tot drie jaar, indien de wederrechtelijke en willekeurige vrijheidsberoving langer dan tien dagen duurt.

Duurt zij langer dan een maand, dan wordt de schuldige veroordeeld tot gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar.

Hij wordt bovendien gestraft met geldboete van vijftig euro tot duizend euro en kan worden veroordeeld tot ontzetting van de rechten, genoemd in artikel 31, eerste lid, 1°, 2° en 3°.

Oud art. 435 waarschijnlijk · 50%
De vroegere strafverzwaring naar duur van de vrijheidsberoving (meer dan tien dagen) is niet behouden; de basisincriminatie vrijheidsberoving (niveau 3) geldt nu ongeacht de duur.

De gevangenisstraf is zes maanden tot drie jaar en de geldboete vijftig euro tot driehonderd euro, indien de wederrechtelijke en willekeurige vrijheidsberoving langer dan tien dagen duurt.

Oud art. 436 waarschijnlijk · 50%
Ook hier verdwijnt de gegradueerde verzwaring naar duur (meer dan een maand); dit is opgegaan in de ongedifferentieerde bestraffing van vrijheidsberoving op niveau 3.

Indien de wederrechtelijke en willekeurige vrijheidsberoving langer dan een maand duurt, wordt de schuldige veroordeeld tot gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar en tot geldboete van honderd euro tot vijfhonderd euro.

Over deze mapping en de omzetting van straffen →

Strafniveau
3 · gevangenisstraf van 3 tot 5 jaar alle misdrijven van dit niveau
Justel-stand
2026-04-02 · officiële tekst op Justel
Inwerkingtreding
1 september 2026
Id
boek2-art-219

Fout gezien in dit artikel? Meld het.

Art. 218/1Art. 220