Hoofdstuk 3. Dader van het misdrijfAfdeling 4. Gronden van niet-toerekeningsvatbaarheid
Art. 24. Gronden van niet-toerekeningsvatbaarheid
De gronden van niet-toerekeningsvatbaarheid zijn de in het tweede lid bedoelde omstandigheden waardoor de dader van het misdrijf niet strafrechtelijk verantwoordelijk is al blijft het stellen van de strafbaar gestelde gedraging wederrechtelijk en verwijtbaar.
De gronden van niet-toerekeningsvatbaarheid zijn:
1° de geestesstoornis;
2° de minderjarigheid.